Er zit een spiegel op de voorkant van dit boek. Die is niet voor de sier.

Over jaloers zijn op iemand die het beter deed. Over doorlopen terwijl je best had kunnen stoppen. Over zeggen dat iemand niet echt je vriend is, omdat er anderen bij staan.

Achtentwintig verhalen. Links staat het oude verhaal, rechts staat je eigen leven: het schoolplein, de groepsapp, de achterbank. En daaronder een paar vragen waar geen goed antwoord op is.

Dit is geen boek dat vertelt wat je moet vinden. Er komt geen les aan het eind. Wat je gelooft, mag je helemaal zelf uitzoeken — je hebt er je hele leven voor.

Vanaf een jaar of zes om samen te lezen. Vanaf een jaar of tien om alleen te lezen, en niemand te vertellen wat je hebt geantwoord.

Kijk eens in de spiegel. Wie zie je?

De Spiegelbijbel

Verhalen van duizenden jaren oud, over wie jij vandaag bent

Voor Hugo,
Nora en Lily

Opdracht
Dit boek is speciaal voor jullie gemaakt. Omdat ik het zo belangrijk vind dat jullie de eeuwenoude, wijze lessen uit deze verhalen kunnen meenemen in jullie leven, óók zonder dat daar per se een religie aan vast hoeft te zitten.

Ik wil jullie een stevige basis meegeven voor de toekomst. Een basis van zelfacceptatie en vertrouwen, van geduld en empathie — niet alleen voor de mensen om jullie heen, maar bovenal voor jezelf.

Het staat jullie volkomen vrij om later wel of niet te geloven, zolang je maar met een open en zachte blik naar de wereld en naar jezelf blijft kijken.

En ik hoop dat deze spiegel, naast jullie drieën, ook vele andere kinderen mag helpen bij het ontdekken van hun eigen weg.
Voorwoord

Kijk eens in de spiegel

Misschien denk je: wat heb ik nou aan verhalen van duizenden jaren oud? Verhalen over mannen in lange gewaden, uitgestrekte woestijnen, kamelen en houten boten?

Maar als je goed leest, lijken die mensen van vroeger precies op jou en mij. Ze waren soms bang in het donker, werden jaloers op een ander, wilden de baas spelen of wisten even niet meer wat ze moesten doen.

Verhalen uit de Bijbel lijken misschien op oude sprookjes. Maar eigenlijk zijn het spiegels.

Hoe werkt dit boek?

Elk hoofdstuk bestaat uit twee kanten. Aan de linkerkant lees je een oud verhaal, en ontdek je wat er nu eigenlijk gebeurt.

Aan de rechterkant halen we het naar jouw eigen leven. Naar het schoolplein, de groepsapp, de achterbank.

En onderaan staan een paar vragen. Er is geen goed antwoord. Er is ook niemand die jouw antwoord hoeft te horen.

Pak de spiegel er maar bij. Wat zie jij als je erin kijkt?
Verantwoording

Is dit echt gebeurd?

Dat ga je je onderweg vast afvragen. Er zit een boot in dit boek waar alle dieren ter wereld in passen. Een struik die brandt en niet opbrandt. Een vis die een man inslikt en hem drie dagen later weer uitspuugt. En achterin een graf dat op een ochtend leeg blijkt te zijn.

Ik ga je niet vertellen wat je daarvan moet denken.

Sommige mensen geloven dat het precies zo gebeurd is. Andere mensen lezen het als een beeld: een manier om iets te vertellen waar gewone woorden tekortschieten. Daar wordt al duizenden jaren over gepraat, door heel slimme en heel aardige mensen aan allebei de kanten. Ze zijn er nooit uitgekomen.

Jij hoeft er nu ook niet uit te komen.

Je zult merken dat God in deze verhalen gewoon meedoet. Hij praat, hij vraagt dingen, hij wordt boos en hij verandert van gedachten. Zo staat het er nu eenmaal, en zo vertel ik het door. Dat betekent niet dat ik zeg dat het zo is. Het betekent dat ik het verhaal niet ga verbouwen.

Wat er waar aan is, mag je zelf uitzoeken. Je mag daar je hele leven over doen.
Praktijk

Wanneer lees je dit boek?

Er zijn mensen die elke ochtend even stil zijn voordat de dag begint. Die aan tafel eerst iets zeggen voordat ze gaan eten. Die 's avonds terugkijken op hun dag. En die één dag in de week vrijhouden om na te denken over wat er toe doet.

Dat hoeft van dit boek allemaal niet. Maar er zit wel iets in dat werkt. Als je dit boek in één keer uitleest, is het een leuk boek. Als je er af en toe eentje leest, wordt het iets anders.

Op een vaste avond. Zondag bijvoorbeeld, als de week net om is en de nieuwe nog niet begonnen. Eén hoofdstuk. Niet meer.

Aan tafel. Niet het hele hoofdstuk — alleen één vraag, hardop. En iedereen geeft antwoord. Ook de grote mensen. Vooral de grote mensen.

Vlak voor je gaat slapen. Geen hoofdstuk. Alleen één vraag: wat heb je vandaag bijna niet gemerkt?

Soms is dat iets kleins dat mooi was. Soms is het iemand die iets voor je deed zonder dat je het doorhad. Soms is het niks. Het is dezelfde vraag als die van Jakob op zijn steen, in hoofdstuk 8.

Of juist niet op een vast moment. Als er iets gebeurd is. Je was jaloers. Je liep door terwijl je had kunnen stoppen. Zoek dan zelf het hoofdstuk op dat daarover gaat. Zo werkt dit boek het beste: niet als iets van vroeger, maar als iets van vandaag.
1. Genesis 1

Orde uit de rommel

Het Bijbelverhaal
Stel je voor dat er niets is. Geen grond, geen lucht. Alleen een donkere, kolkende soep van water en wind. Het is koud, aardedonker en één grote chaos.
Dan zegt God: laat er licht zijn. En er is licht.

Maar met alleen licht ben je er nog niet. Dus begint het opruimen. God trekt grenzen. Tegen het water zegt hij: jij gaat naar beneden. Wat daarboven zit, gaan we lucht noemen.

Elke dag krijgt de wereld iets meer vorm. Planten komen omhoog, walvissen gaan zwemmen, overal kruipt van alles rond. Alles krijgt een eigen plek.

En op de zevende dag, als het grootste project ooit klaar is, gaat God zitten. Kijken naar wat er staat. En uitrusten.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Chaos ruim je niet op door alles tegelijk aan te pakken, maar door grenzen te trekken. En rusten hoort erbij. Het is niet iets voor als je tijd over hebt.
Naar nu

Herken jij dat?

Je kamer. Lego over de vloer, stiften eronder, kleren op een hoop, boeken half van je bed. En als je dan moet gaan slapen lukt dat niet, want je hoofd voelt net zo rommelig als je vloer.

Of een week. Maandag school en voetbal, dinsdag zwemles, woensdag een feestje, en donderdag ben je op. Dat is die kolkende soep.

Je kunt niet alles tegelijk opruimen. Maar je kunt één ding doen. Je stiften bij elkaar leggen. Of zeggen dat je woensdag niet komt. Eén grens is vaak genoeg om weer adem te halen.

Kijk eens in de spiegel:

  • Hoe voelt het in je buik als het om je heen heel rommelig of heel druk is?
  • Wat doe jij het liefst als je even helemaal niets hoeft?
  • Als je één ding uit je week zou mogen schrappen, wat zou dat dan zijn?
Ik heb opgeruimd. Onder mijn bed.
2. Genesis 3

Opeens zie je alles

Het Bijbelverhaal
Adam en Eva wonen in een tuin waar alles goed is. God heeft ze één regel gegeven: blijf van die ene boom af. En ja. Als iets niet mag.
Er is een slang die fluistert: neem er nou een hap van. Dan weet je pas echt hoe het zit.

Ze nemen een hap. En meteen is alles anders.

Hun ogen gaan open. Ze zien de wereld niet meer als een plek waar alles vanzelf goed komt. Ze snappen wat gevaar is. Ze kijken naar zichzelf en denken: wij hebben helemaal niets aan.

Voor het eerst schamen ze zich. Ze kruipen weg in de bosjes en hopen dat niemand ze ziet.

De tijd waarin ze nergens over nadachten, is voorbij. En die komt niet meer terug.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Groter worden betekent dat je dingen gaat zien die je niet meer kunt afzien. Dat is winst en verlies tegelijk.
Naar nu

Herken jij dat?

Je hoort per ongeluk iets dat niet voor jou bedoeld was. Grote mensen die ruzie maken in de keuken terwijl ze denken dat je slaapt. Of iets op het Jeugdjournaal waar je 's avonds nog aan moet denken.

Vroeger dacht je daar niet over na. Nu wel. En je kunt niet meer terug naar hoe het was.

Of dit. Je zegt iets gemeens en je ziet het gezicht van de ander veranderen. Op dat moment weet je precies wat je hebt gedaan. Je wordt er warm van en je wilt onzichtbaar zijn.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer wilde jij je het liefst heel klein maken?
  • Wat weet je nu, wat je liever niet had geweten?
  • Zou je terug willen naar hoe klein je vroeger was? Denk even echt na.
Ik deed alsof ik het niet had gehoord.
3. Genesis 4

Het groene monster

Het Bijbelverhaal
Kaïn en Abel zijn broers. Ze geven allebei een cadeau. Kaïn brengt graan van zijn land, Abel brengt zijn beste schaap.
En dan gebeurt er iets pijnlijks. God vindt het cadeau van Abel mooi. Dat van Kaïn niet.

Kaïn wordt woedend. Niet meteen — het begint met een gezicht dat op onweer staat. God zegt tegen hem: pas op, dit gevoel ligt op de loer als een dier voor je deur. Jij kunt het de baas.

Maar hij luistert niet.

Hij vraagt zijn broer of hij meegaat het veld in. En daar slaat hij hem dood.

Als God later vraagt waar Abel is, zegt Kaïn: hoe moet ik dat weten? Moet ik soms op mijn broer passen?

Het is het eerste verhaal in de Bijbel over twee mensen die ruzie krijgen. Het loopt meteen zo slecht af als het maar kan.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Jaloezie is verdriet dat zich voordoet als boosheid. Omdat dat verdriet zo rot voelt, probeer je het weg te krijgen door de ander kleiner te maken.
Naar nu

Herken jij dat?

Je hebt weken geoefend op je tekst voor de musical. Je kent elk woord. En wie krijgt de hoofdrol? Dat meisje dat gisteren pas voor het eerst kwam kijken. Zij krijgt alle complimenten.

Je zegt tegen een vriend: ze bakt er anders niks van.

Dat is dat groene monster. Je hoopt dat je zelf een stukje groter wordt door haar kleiner te maken.

Het werkt trouwens niet. Je voelt je er meestal beroerder door.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer zei jij iets lelijks over iemand die juist iets goed had gedaan?
  • Waar in je lijf zit jaloezie bij jou? In je buik, je keel, achter je ogen?
  • Stel dat jíj de hoofdrol had gekregen. Had je dan gemerkt hoe de ander zich voelde?
Ik zei dat het haar niet eens zo goed afging.
4. Genesis 6

Bouw je eigen boot

Het Bijbelverhaal
De wereld is vol geworden van ruzie en lawaai. Het is één grote bende, en God besluit opnieuw te beginnen. Hij geeft Noach de opdracht een enorme boot te bouwen. Midden op het droge.
Iedereen ligt in een deuk: een schip op het land, hoe verzin je het.

Noach timmert door. Jaren.

Als het af is, gaat hij naar binnen met zijn gezin en van elke diersoort een stel. De deur gaat dicht.

En dan begint het te regenen. Het water stijgt en stijgt, en buiten wordt alles meegesleurd. Binnen, tussen de houten wanden, is het stil.

Veertig dagen. En daarna nog heel lang wachten tot er weer land is.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Een storm van gedoe kun je niet uitzetten. Je kunt wel een plek maken waar hij even niet binnenkomt.
Naar nu

Herken jij dat?

Het is onrustig in je klas. Ruzie in de groepsapp, vervelende opmerkingen op het plein, iedereen is boos op iedereen en niemand weet meer waarom het begon. Je wordt er doodmoe van.

Jij gaat de hele klas niet veranderen. Dat kun je niet, en het is ook je taak niet.

Wat je wel kunt: niet meepraten. En twee mensen opzoeken bij wie het rustig is, om iets te doen dat niets met het gedoe te maken heeft.

Dat is jouw boot. Hij is niet groot. Maar hij drijft.

Kijk eens in de spiegel:

  • Waar ga jij heen als het in je hoofd of op school te druk wordt?
  • Wie neem jij mee aan boord?
  • Wanneer deed jij mee met gedoe waar je eigenlijk buiten had willen blijven?
Ik deed mee. Ik wilde er niet buiten vallen.
5. Genesis 11

De toren die te hoog werd

Het Bijbelverhaal
Iedereen op aarde spreekt dezelfde taal. Ze verstaan elkaar zonder moeite en ze kunnen alles samen. Dan krijgen ze een groot idee. Laten we een toren bouwen die tot in de wolken komt.
Dan ziet iedereen hoe geweldig wij zijn.

De toren gaat de lucht in. Steen op steen op steen.

En hoe hoger hij komt, hoe minder ze naar elkaar luisteren. Iedereen is bezig met de toren en niemand nog met de mensen ernaast.

Dan haalt God hun taal door elkaar. Ze staan naast elkaar en verstaan er niets meer van. Het bouwen stopt en iedereen gaat een andere kant op.

De toren is nooit afgekomen.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Ze spraken allemaal dezelfde taal en verstonden elkaar toch niet. Dat scheelt blijkbaar minder dan je zou denken.
Naar nu

Herken jij dat?

Met de hele klas in een groepsapp beslissen wat je gaat doen. Ping. Ping. Ping. De een roept dit, de ander dat, iemand stuurt een sticker, iemand anders is beledigd. Na vijf minuten weet niemand meer wat er ook alweer werd gevraagd.

Jullie spreken allemaal Nederlands. En toch verstaan jullie elkaar niet.

Het enige dat helpt is je telefoon wegleggen, naar iemand toe lopen en gewoon vragen: zullen we dit doen?

Kijk eens in de spiegel:

  • Merk jij ook dat berichtjes sneller ruzie geven dan praten?
  • Wanneer luisterde jij echt naar iemand die iets anders vond dan jij?
  • Wat zou je vandaag liever tegen iemand zeggen dan sturen?
Ik typte het. Zeggen durfde ik niet.
6. Genesis 12

De grote verhuizing

Het Bijbelverhaal
Abram heeft een prima leven. Een vaste plek, familie om zich heen, alles bekend. En hij is niet jong meer. Dan zegt God tegen hem: ga weg hier. Naar een land dat ik je wijzen zal.
Geen kaart. Geen adres. Geen idee hoe lang het duurt of hoe het eruitziet als hij er is. Alleen dat het goed zal zijn.

Hij pakt zijn spullen. Hij neemt zijn vrouw mee, en zijn neef, en alles wat hij bezit. En hij loopt de stadspoort uit.

Wat hij achterlaat is zeker. Wat hij tegemoet loopt is dat niet.

(Verderop in het boek heet hij Abraham. Dat is dezelfde man; hij krijgt onderweg een nieuwe naam.)

Wat gebeurt er eigenlijk?
Het vertrekken is het moeilijkste deel. Niet omdat het nieuwe eng is, maar omdat het oude veilig is.
Naar nu

Herken jij dat?

De avond voor je eerste dag op een nieuwe school. Of voor je eerste training bij een club waar je niemand kent. Je maag knijpt samen en je wilt onder je dekbed blijven tot het over is.

En dan ga je toch. Je fietst erheen, je zet je fiets neer, je loopt naar binnen. Dat is het engste stuk: die twintig meter.

Drie weken later fiets je er gewoon heen zonder erbij na te denken. En weet je niet meer precies waar je zo bang voor was.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wat vind jij het spannendst aan iets nieuws?
  • Wanneer bleek iets engs achteraf hartstikke mee te vallen?
  • Wat zou je doen als je zeker wist dat het goed kwam?
Ik zei dat ik geen zin had. Ik durfde niet.
7. Genesis 22

Hou niet te strak vast

Het Bijbelverhaal
Abraham heeft heel lang op een zoon gewacht. Als Isaak er eindelijk is, is hij alles voor hem. En dan vraagt God hem het zwaarste wat er bestaat. Hij moet zijn zoon opgeven.
Abraham zegt niets terug. Hij staat 's ochtends vroeg op, zadelt zijn ezel en gaat op weg. Drie dagen lopen ze samen. Onderweg vraagt Isaak iets, en Abraham geeft een antwoord dat eigenlijk geen antwoord is.

Boven op de berg, op het allerlaatste moment, roept een engel hem toe. Stop. Doe hem niets.

Er staat een ram in de struiken.

Ze lopen samen naar beneden. Maar er staat nergens meer bij dat ze onderweg nog iets tegen elkaar zeiden.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Dit is het moeilijkste verhaal van het hele boek, en er is niemand die het helemaal begrijpt. Grote mensen ook niet.
Naar nu

Herken jij dat?

Er is iets wat je heel graag hebt. Een vriendschap bijvoorbeeld. En juist omdat je die zo graag wilt houden, ga je er raar van doen.

Je wordt boos als hij een keer met iemand anders speelt. Je vraagt voor de tiende keer of jullie nog wel beste vrienden zijn. Je let op wie hij aankijkt in de pauze.

En dan gebeurt het gekke: door zo hard te knijpen, duw je hem weg.

Bij spullen werkt het anders dan bij mensen. Hoe steviger je een mens vasthoudt, hoe minder je overhoudt.

Kijk eens in de spiegel:

  • Heb jij weleens iemand zo stevig vastgehouden dat het benauwd werd?
  • Hoe voelt het als iemand jou geen ruimte geeft?
  • Wat vind je van dit verhaal? Je mag het ook gewoon een naar verhaal vinden.
Ik werd boos toen hij met iemand anders speelde.
8. Genesis 28

De bijzondere steen

Het Bijbelverhaal
Jakob is op de vlucht voor zijn broer. Hij heeft hem bedrogen en nu moet hij weg. De avond valt en hij is nergens. Geen dorp, geen huis, geen mens.
Hij gaat liggen in het zand en legt zijn hoofd op een steen.

En daar, op die steen, in het slechtste bed van zijn leven, droomt hij. Hij ziet een trap die van de grond tot in de hemel reikt, met engelen die op en neer gaan.

Als hij wakker wordt, kijkt hij om zich heen naar hetzelfde lege zand als gisteravond.

Hij zegt: God was hier, en ik wist het niet.

Dan zet hij die steen rechtop en loopt verder.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Hij was niet op een mooie plek. Hij was op de plek waar hij toevallig terechtkwam, op zijn slechtste avond.
Naar nu

Herken jij dat?

Je fietst elke dag door dezelfde straat. Je kent elke stoeptegel en er is niks aan.

Tot je op een ochtend stilstaat bij een spinnenweb dat vol dauwdruppels hangt en in de zon staat te glinsteren.

Die straat was gisteren precies hetzelfde. En eergisteren ook. Alleen keek je niet.

Het gekke is dat zulke momenten meestal niet komen op de dagen dat je er zin in hebt. Ze komen als je moe bent, of te laat, of chagrijnig.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer zag jij iets heel gewoons dat ineens mooi was?
  • Wat is de saaiste plek die je kent? Wat zou je daar zien als je een minuut stil bleef staan?
  • Wat is jouw steen — een plek waar iets gebeurde dat je niet vergeet?
Ik fiets er elke dag langs. Ik heb het nooit gezien.
9. Genesis 37

De droomjas in de put

Het Bijbelverhaal
Jakob heeft twaalf zonen en van Jozef houdt hij het meest. Dat verbergt hij niet. Hij geeft hem een prachtige jas, terwijl de anderen niets krijgen. Jozef trekt hem elke dag aan.
En dan gaat hij ook nog zijn dromen vertellen. Ik droomde over korenschoven, zegt hij, en die van jullie bogen voor die van mij. Even later heeft hij er nog een: de zon en de maan en elf sterren bogen voor mij.

Hij vertelt het gewoon. Hij ziet niet wat het doet.

Zijn broers worden gek van hem. Als hij op een dag naar het veld komt, gooien ze hem in een put. Even later halen ze hem eruit en verkopen ze hem aan een karavaan die voorbijkomt.

Zijn jas nemen ze mee naar huis. Tegen hun vader zeggen ze dat Jozef dood is.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Bij Kaïn stond je naast iemand die meer kreeg. Hier ben je de ander. Jozef doet niets gemeens. Hij merkt alleen niets.
Naar nu

Herken jij dat?

Je haalt een dikke voldoende voor een toets waar je nauwelijks voor hebt geleerd. Je vertelt het meteen. En nog een keer. En dan nog een keer, aan iemand die het al gehoord had.

Naast je zit iemand die drie avonden heeft zitten blokken en een onvoldoende heeft.

Jij doet niets verkeerd. Je bent gewoon blij.

Maar er zit verschil tussen blij zijn en het steeds opnieuw vertellen. En dat verschil merk je bijna nooit als je zelf aan de goede kant zit.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer had jij goed nieuws terwijl iemand naast je juist pech had? Wat deed je?
  • Wat krijg jij makkelijker dan anderen? Heb je dat zelf door?
  • Wie is er weleens jaloers op jou? Weet je dat zeker?
Ik vertelde het nog een keer. Ze had het al gehoord.
10. Exodus 3

De struik die niet opbrandde

Het Bijbelverhaal
Mozes past op de schapen van zijn schoonvader. Hij is ver van huis en ver van iedereen. Vroeger woonde hij in een paleis. Nu loopt hij hier, met een stok.
Dan ziet hij iets vreemds. Een doornstruik staat in brand. Maar hij brandt niet op. De vlammen gaan door en de struik blijft staan.

Hij loopt ernaartoe om het beter te zien. En uit het vuur roept God zijn naam.

Hij krijgt een opdracht: ga terug, en haal je volk daar weg.

Mozes begint meteen te sputteren. Wie ben ik nou? Ze geloven me nooit. Ik kan helemaal niet goed praten, dat weet u toch?

Vier keer probeert hij eronderuit te komen. Vier keer.

En dan gaat hij.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Mozes wacht niet tot hij zich dapper voelt, want dat gebeurt niet. Hij gaat terwijl hij het nog steeds eng vindt.
Naar nu

Herken jij dat?

Morgen je spreekbeurt. Vanavond in bed bedenk je alles wat er mis kan gaan. Je stem doet raar. Je vergeet je tekst. Iemand lacht.

Je hoopt een klein beetje dat je ziek wordt.

En dan sta je er, en begint het. Het eerste zinnetje is het ergst. Daarna hoor je jezelf gewoon praten, en voor je het weet ben je bij je laatste plaatje.

De zenuwen gingen niet weg vóór je begon. Ze gingen weg terwijl je bezig was.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wat schuif jij voor je uit omdat je het te spannend vindt?
  • Welk smoesje gebruik jij het vaakst?
  • Wat zou je doen als je wist dat het niet erg was om te mislukken?
Ik zei dat ik het vergeten was.
11. Exodus 20

Spelregels in de woestijn

Het Bijbelverhaal
Het volk is vrij. Ze zijn weg uit Egypte en ze kunnen doen wat ze willen. En dat gaat mis. Want als niemand iets heeft afgesproken, is degene met de grootste mond de baas.
Op een berg geeft God aan Mozes tien afspraken. De eerste paar gaan over God zelf. De rest gaat over hoe mensen met elkaar omgaan, en die zijn kort. Neem niet wat van een ander is. Zeg geen dingen over iemand die niet waar zijn. Loop niet de hele tijd te verlangen naar wat je buurman heeft. En: één dag in de week doe je niets.

Het zijn geen strafregels. Het zijn afspraken die ervoor zorgen dat je met elkaar kunt leven zonder dat het elke dag ruzie is.

Mozes komt de berg af met twee stenen platen in zijn armen, door God zelf beschreven.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Zonder regels wint niet de vrijheid. Zonder regels wint de sterkste.
Naar nu

Herken jij dat?

Voetballen op het plein zonder scheidsrechter en zonder lijnen. De eerste twee minuten is het leuk. Dan pakt iemand de bal met zijn handen, roept iemand anders dat het buitenspel was, en is er ruzie.

Pas als je hebt afgesproken waar het doel staat en wat niet mag, kun je echt spelen.

Thuis werkt het net zo. Die regel dat de telefoon aan tafel weggaat, is irritant. Maar hij zorgt er wel voor dat er gepraat wordt.

Kijk eens in de spiegel:

  • Welke regel vind jij thuis of op school het stomst?
  • Waar is die regel eigenlijk voor bedoeld, denk je?
  • Welke regel zou jij invoeren als jij het één dag voor het zeggen had?
Ik vind regels stom. Behalve als ik verlies.
12. Numeri 14

De taaie woestijnreis

Het Bijbelverhaal
Ze zijn onderweg naar een nieuw land. Het is heet, het is zwaar, en het duurt lang. Er worden twaalf mannen vooruitgestuurd om te kijken.
Tien van hen komen terug met slecht nieuws: het is prachtig daar, maar de mensen zijn reuzen en wij zijn sprinkhanen. Twee zeggen: het kan wel.

Er wordt naar de tien geluisterd.

Die nacht huilt het hele kamp. Ze zeggen tegen elkaar: waren we maar in Egypte gebleven, daar hadden we tenminste eten. Ze vergeten even dat ze daar slaaf waren.

En dan lopen ze veertig jaar rond in de woestijn. Ze komen er wel. Maar veel later, en niet met dezelfde mensen.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Halverwege een verandering maken we het verleden mooier dan het was. Dat is geen liegen. Het voelt echt zo.
Naar nu

Herken jij dat?

Je zit drie weken op een nieuwe school. Alles is anders, je weet nog niet waar je moet zitten in de pauze, en je mist je oude klas ineens vreselijk.

Terwijl je daar vaak baalde. Dat weet je best. Je voelt het alleen niet.

Dit is het lastigste stuk. Niet het begin en niet het eind, maar het midden. Het oude is weg en het nieuwe is er nog niet.

Dat duurt bij iedereen even. En bij niemand precies even lang.

Kijk eens in de spiegel:

  • Waar wilde jij mee stoppen omdat het te lang duurde?
  • Welk vroeger maak jij weleens mooier dan het was?
  • Wat helpt jou als je middenin iets zit dat nog niet af is?
Ik zeg dat ik het mis. Ik weet niet of dat klopt.
13. 1 Samuel 17

De herdersjongen en de reus

Het Bijbelverhaal
Twee legers staan tegenover elkaar en er gebeurt niets. Elke dag komt Goliat naar voren en roept: stuur er maar één, dan vechten we het samen uit. Hij is enorm en niemand durft.
Veertig dagen lang.

Dan komt David eten brengen voor zijn broers. Hij hoort het en zegt: ik doe het wel.

Koning Saul hangt hem een harnas om. Een helm, een zwaard, het hele pak. David loopt drie stappen en zegt: hier kan ik niet in lopen, ik heb dit nog nooit gedragen.

Hij doet het uit. Hij pakt zijn stok en zoekt vijf gladde stenen uit de beek.

Goliat ziet hem aankomen en begint te lachen.

En dan gaat het heel snel.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Het harnas is het gevaarlijkste in dit verhaal. Het is bedoeld om je te beschermen, maar in andermans harnas kun je niet bewegen.
Naar nu

Herken jij dat?

Je doet mee met de grote kinderen. Zij duwen en trekken en zijn twee koppen groter. Als jij dat ook probeert, lig je binnen een minuut op de grond.

Maar jij bent sneller. En kleiner. En jij ziet gaten die zij niet zien.

Dat geldt niet alleen bij sport. Iemand in je klas kan heel goed praten en jij niet. Ga je hem nadoen, dan hoor je zelf dat het nep klinkt. Zeg je gewoon wat je zelf zou zeggen, dan hoor je dat het klopt.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wiens harnas heb jij weleens aangetrokken?
  • Wat kun jij, dat niet lijkt op wat de rest kan?
  • Wanneer voelde jij je klein tegenover iets groots? Wat deed je toen?
Ik deed hem na. Ik hoorde zelf dat het nep was.
14. 1 Koningen 3

De slimme koning

Het Bijbelverhaal
Salomo is net koning en hij is nog jong. Er komen twee vrouwen bij hem die allebei zeggen dat hetzelfde kind van hen is. Er zijn geen getuigen. Er is geen bewijs.
Het is het woord van de een tegen dat van de ander.

Salomo denkt na. En dan zegt hij iets vreselijks: haal een zwaard. We hakken het kind doormidden, dan krijgt ieder de helft.

Eén van de twee zegt: goed. Doe maar. Dan heeft geen van ons hem.

De ander schreeuwt: nee! Geef hem dan maar aan haar. Als hij maar blijft leven.

En dan weet Salomo genoeg. Geef het kind aan die tweede vrouw, zegt hij. Zij is de moeder.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Salomo vraagt niet wie er gelijk heeft, want dat zeggen ze allebei. Hij maakt een situatie waarin je kunt zien wie er bereid is iets te verliezen.
Naar nu

Herken jij dat?

Jullie trekken met z'n tweeën aan hetzelfde ding. Allebei roep je dat het van jou is.

En op een gegeven moment gaat het niet meer om dat ding. Het gaat erom dat je niet wilt toegeven.

Je hoort het kraken. En je trekt nog een keer.

Als een van jullie dan loslaat, denkt de ander meestal: gewonnen. Maar degene die losliet, was degene die nog wist waar het over ging.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer heb jij zo hard om je gelijk gevochten dat je vergat waar het over ging?
  • Wat zou jij niet willen laten breken, ook al zou je dan verliezen?
  • Wanneer liet iemand voor jou los? Merkte je het?
Ik had allang kunnen stoppen.
15. Job 38

Als het ineens stormt

Het Bijbelverhaal
Job raakt in korte tijd alles kwijt. Zijn dieren, zijn huis, de mensen van wie hij hield. Daarna wordt hij ook nog ziek. Hij zit in het stof en snapt er niets van.
Drie vrienden komen langs. Zeven dagen zeggen ze niets. Ze zitten alleen maar naast hem.

Dan beginnen ze te praten, en alle drie zeggen ze hetzelfde: je moet iets fout hebben gedaan.

Job blijft vragen. Waarom? Waarom ik? Er komt geen antwoord.

Tot er een storm opsteekt. Uit die storm spreekt God, en Job denkt: nu hoor ik het eindelijk. Maar God geeft geen antwoord. Hij stelt vragen.

Waar was jij toen de aarde werd gemaakt? Weet jij waar de sneeuw wordt bewaard? Kun jij een wilde ezel temmen?

Bijna honderd vragen. En niet één antwoord.

En als de storm gaat liggen, is Job rustig.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Bij pech zoeken we een reden, want een reden maakt de wereld weer veilig. Jobs vrienden troosten Job niet. Ze troosten zichzelf.
Naar nu

Herken jij dat?

Er gebeurt iets heel naars bij een kind uit je klas. En op het plein zegt iemand: "Ja, zijn vader rijdt ook altijd veel te hard."

Zulke zinnen zeggen we omdat we bang zijn. Als er een reden is, kan het ons niet overkomen. Maar er is niet altijd een reden.

En dan dat andere moment. Je staat naast iemand die verdrietig is en je weet niet wat je moet zeggen. Alle zinnen die je bedenkt klinken stom. Dus zeg je maar niks en loop je door.

Terwijl diegene misschien helemaal geen zin nodig had. Alleen iemand die bleef zitten.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer wist jij niet wat je moest zeggen tegen iemand met verdriet?
  • Wanneer dacht jij stiekem: dat heeft hij ook een beetje aan zichzelf te danken?
  • Wil je iemand die het uitlegt, of iemand die naast je blijft zitten?
Soms denk ik: gelukkig ben ik het niet.
16. Boek Jona

De mopperaar in de zon

Het Bijbelverhaal
God zegt tegen Jona: ga naar Ninevé. Dat is de stad van de vijand, en Jona heeft geen zin. Dus gaat hij precies de andere kant op.
Er komt een storm. Hij wordt overboord gegooid, een reusachtige vis slikt hem in, en drie dagen later spuugt die hem uit op het strand.

Dan loopt hij alsnog naar Ninevé. Hij zegt één zin. En tot zijn verbijstering luistert de hele stad. Iedereen zegt sorry en gaat het anders doen.

Het loopt dus fantastisch af. En Jona is woedend.

Hij gaat buiten de stad op een heuvel zitten mokken. Boven zijn hoofd groeit een plant die hem schaduw geeft, en dáár is hij dolblij mee. Maar de volgende ochtend knaagt een wormpje de steel kapot. De plant verdroogt, de zon brandt, en Jona wil niet meer verder.

Dan stelt God hem de laatste vraag: je bent kapot van een plantje dat je niet eens zelf hebt geplant. En al die duizenden mensen dan?

Het boek stopt daar. We horen nooit wat Jona antwoordde.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Jona is niet boos omdat er iets ergs gebeurt. Hij is boos omdat er iets goeds gebeurt, met de verkeerde mensen.
Naar nu

Herken jij dat?

Er is een kind in je klas dat al het hele jaar vervelend doet. Jij weet precies wie hij is. Dat is die pestkop. Klaar.

En dan biedt hij een keer zijn excuses aan, en de juf zegt dat hij weer mag meedoen. Iedereen is blij. En jij staat ernaast en voelt iets raars: je baalt. Je hoopt eigenlijk een beetje dat hij het weer verpest.

Dat komt niet doordat je gemeen bent. Het komt doordat je hem al een vast plekje had gegeven in je hoofd, en dat plekje klopt nu niet meer.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wie heeft er bij jou een vast plekje in je hoofd? Klopt dat plekje nog?
  • Wanneer baalde jij van iets leuks dat een ander overkwam?
  • Waar werd jij deze week het boost om? Was dat ook het belangrijkste dat er gebeurde?
Ik hoop stiekem dat hij het weer verpest.
17. Matteüs 4

De snelle route

Het Bijbelverhaal
Jezus is veertig dagen alleen in de woestijn. Geen eten, geen mensen, alleen zand en zijn eigen gedachten. Hij is uitgeput en rammelt van de honger.
En dan komt de duivel naast hem lopen. Hij klinkt vriendelijk en hij heeft drie voorstellen. Het slimme is: ze klinken alle drie heel redelijk.

Je hebt honger. Kijk, overal stenen. Maak er brood van.

Ga op het hoogste puntje van de tempel staan en spring. Er komen engelen die je opvangen, en de hele stad ziet het. Dan weet iedereen meteen wie je bent.

Kijk naar alle landen van de wereld. Vandaag nog van jou. Je hoeft alleen even te buigen.

Drie keer zegt hij nee. Niet omdat eten of gezien worden of iets te zeggen hebben slecht zijn. Maar omdat hij ze zo niet wil krijgen.

Dan is de duivel weg. En staat hij daar nog steeds. Met honger. En moet hij gewoon gaan lopen.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Een verleiding gaat nooit over iets wat je niet wilt hebben. Hij gaat altijd over iets wat je juist heel graag wilt — maar dan te snel.
Naar nu

Herken jij dat?

Je zit al dagen op hetzelfde level en het lukt maar niet. Dan vind je een filmpje: typ deze code in en je hebt meteen alles. Je doet het. Je wint. En binnen twee minuten is de lol eraf, want je hebt eigenlijk niks gewonnen. Je hebt op knopjes gedrukt.

Of je maakt een werkstuk over vulkanen en je plakt er een stuk tekst in dat je zelf niet snapt. Je krijgt een prima cijfer. En als iemand je daarna een vraag stelt over je eigen werkstuk, weet je even niet waar je moet kijken.

De afkorting wérkt bijna altijd. Alleen jij weet hoe je er gekomen bent.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer nam jij voor het laatst een afkorting? Wat leverde het op, en wat kostte het?
  • Wat zou jij het allerliefst kunnen, zonder dat je ervoor hoeft te oefenen?
  • Als je zeker wist dat niemand er ooit achter kwam — zou je dan valsspelen? Denk even echt na voordat je nee zegt.
Eén keer heb ik gewonnen zonder het te verdienen.
18. Matteüs 5

De rem erop

Het Bijbelverhaal
Jezus zit op een berghelling met een grote groep mensen om zich heen. Hij begint over een regel die iedereen kent: oog om oog. Doet iemand jou pijn, dan mag jij hem precies evenveel pijn doen.
Netjes afgemeten.

En dan zegt hij iets vreemds. Krijg je een klap op je ene wang? Draai dan je andere wang naar hem toe.

Hij geeft nog zo'n voorbeeld. In die tijd mocht een soldaat je dwingen zijn tas een mijl te dragen. Jezus zegt: draag hem twee mijl.

Dat is geen slap overgeven. Het is iets anders. Zolang jij automatisch terugslaat, bepaalt de ander wat jij doet. Op het moment dat je iets doet wat hij niet had zien aankomen, ben jij het weer die kiest.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Terugslaan voelt sterk, maar het is eigenlijk gehoorzamen. De ander drukt op een knopje en jij doet keurig wat hij verwacht.
Naar nu

Herken jij dat?

Je broertje port in je zij. Jij port terug. Binnen een minuut is het oorlog op de achterbank.

Doe je één keer helemaal niets — niet zuchten, niet kijken, niets — dan gebeurt er iets geks. Hij port nog een keer. En dan houdt het op. De lol was jouw reactie.

Maar dit werkt niet altijd. Bij plagen bijna wel. Bij echt pesten, dag na dag, werkt het niet, en het is ook niet jouw taak om dat in je eentje op te lossen. Dan is de sterkste zet niet je andere wang, maar iemand halen.

Dat is geen klikken en geen zwakte. Je haalt er iemand bij die groter is dan het probleem.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer hielp niets-terugdoen bij jou, en wanneer werd het er juist erger van?
  • Wanneer was jij degene die bleef porren tot de ander boos werd?
  • Wie zou jij erbij halen als je het alleen niet meer redt?
Soms begin ik zelf en zeg ik dat de ander begon.
19. Matteüs 7

Het zaagsel in je oog

Het Bijbelverhaal
Jezus vertelt een grapje. Echt, het is bedoeld als grap. Stel je iemand voor die tegen zijn buurman zegt: wacht even, er zit een splintertje in je oog, laat mij het er even uithalen.
Alleen heeft die man zelf een balk in zijn eigen oog. Een hele balk. Een plank van een dak.

De mensen die het horen moeten lachen, want het beeld is belachelijk. Zo iemand ziet helemaal niets. Hij komt met die balk niet eens in de buurt van dat andere oog.

En dan komt de zin die het grapje omdraait: haal eerst die balk bij jezelf weg. Dan zie je pas scherp genoeg om je buurman echt te helpen.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Andermans fouten zien is makkelijk en het voelt lekker. Zolang je naar de splinter van een ander wijst, hoeft niemand naar jouw balk te kijken. Jij ook niet.
Naar nu

Herken jij dat?

Je roept keihard door het huis dat je zusje haar schoenen wéér midden in de gang heeft gesmeten. Terwijl je eigen kamer eruitziet alsof er iets ontploft is.

Of op school. Je vindt het echt asociaal dat iemand steeds door de juf heen praat, en je zegt het tegen twee anderen. Wat je even niet meerekent, is dat jij gisteren precies hetzelfde deed.

Het gekke is dat je het bij jezelf niet ziet. Niet omdat je liegt. Maar omdat je bij jezelf van binnenuit kijkt en bij een ander van buitenaf. Bij jezelf weet je waaróm je het deed. Bij een ander zie je alleen wát hij deed.

Kijk eens in de spiegel:

  • Waar ben jij bij een ander streng op, terwijl je het zelf ook doet?
  • Wat zou je zusje of broertje zeggen als iemand vroeg: wat doet hij eigenlijk vervelend?
  • Aan wie zou jij dat durven vragen?
Ik zie het bij iedereen. Behalve bij mezelf.
20. Matteüs 19

De volle rugzak

Het Bijbelverhaal
Er komt een jongeman naar Jezus toe. Hij is rijk, hij is aardig, en hij doet echt zijn best. Hij vraagt: wat moet ik nog meer doen om goed te leven?
Waarschijnlijk verwacht hij te horen dat hij het prima doet.

Maar het antwoord is: verkoop alles wat je hebt, geef het weg, en ga mee.

De jongeman staat daar. Hij zegt niets terug. Hij draait zich om en loopt weg. En er staat één klein zinnetje bij dat het hele verhaal draagt: hij ging verdrietig weg, want hij bezat heel veel.

Hij is niet boos. Hij is verdrietig. Hij wíl wel. Maar zijn spullen hebben hem steviger vast dan hij ze heeft.

Wat gebeurt er eigenlijk?
We denken dat spullen je vrijer maken. Maar alles wat je hebt, moet je ook bewaken en schoonhouden en niet kwijtraken.
Naar nu

Herken jij dat?

Je krijgt iets nieuws waar je hartstikke blij mee bent. En de rest van de dag ben je er vooral bang voor. Je neemt het niet mee naar buiten, want straks valt het. Je laat niemand het vasthouden.

Buiten roepen ze of je komt helpen met de hut. En jij zit binnen op je nieuwe ding te passen.

Of je koffer voor op kamp. Je propt hem vol met alles wat je misschien nodig hebt, en op de heenweg sjouw je je rot. De helft komt er nooit uit.

Kijk eens in de spiegel:

  • What heb jij dat je vooral bewaakt in plaats van gebruikt?
  • Wanneer bleef jij binnen omdat je iets niet mee durfde te nemen?
  • Als je nu precies één ding zou moeten weggeven, wat zou dat dan zijn? Denk even echt na.
Ik zeg dat ik alles deel. Behalve dat ene.
21. Lucas 10

De held uit het verkeerde kamp

Het Bijbelverhaal
Iemand vraagt aan Jezus: wie moet ik eigenlijk helpen? Wie hoort er bij mij? Jezus antwoordt met een verhaal. Een man loopt over een eenzame weg en wordt overvallen. Ze slaan hem neer en laten hem halfdood in de berm liggen.
Er komt iemand belangrijks aan. Hij ziet de man liggen, steekt over, en loopt aan de andere kant van de weg verder. Even later komt er nog zo iemand. Ook die steekt over.

Dan komt er een Samaritaan langs. En dat is nou precies iemand uit het verkeerde kamp: de mensen die naar dit verhaal luisteren, moeten niets van Samaritanen hebben.

Hij stopt. Hij verzorgt de wonden, zet de man op zijn eigen ezel, brengt hem naar een herberg en betaalt voor hem.

Aan het eind draait Jezus de vraag om. Niet: wie hoort er bij jou? Maar: wie werd er hier een naaste?

Wat gebeurt er eigenlijk?
De vraag was: wie verdient mijn hulp? Daar komt geen antwoord op. De vraag wordt vervangen door een andere: wie word jij, als er iemand ligt?
Naar nu

Herken jij dat?

Op het plein gaat iemand hard onderuit. Niet zomaar iemand: dat is dat stoere kind dat vorige week nog rot tegen je deed. Je eerste gedachte is: eigen schuld.

Je blijft staan. En in die paar seconden bedenk je drie redenen om door te lopen. Je komt te laat. Er staan al anderen bij. En hij wil vast helemaal niet dat jíj hem helpt.

Die redenen zijn niet gelogen. Ze kloppen alledrie een beetje.

Dat is precies wat ze zo handig maakt.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wie zou jij nooit helpen? Denk even echt na. Je hoeft het tegen niemand te zeggen.
  • Welke reden gebruik jij het vaakst om door te lopen?
  • Wie hielp jou een keer terwijl je dat helemaal niet had verwacht?
Ik zag het wel. Ik deed alsof van niet.
22. Lucas 15

Het oneerlijke feest

Het Bijbelverhaal
Een vader heeft twee zonen. De jongste wil niet wachten en vraagt zijn deel van het geld nu alvast. Hij vertrekt, geeft alles uit, en houdt niets over.
Uiteindelijk werkt hij tussen de varkens en heeft hij zo'n honger dat hij het varkensvoer wil eten.

Hij besluit terug te gaan, en oefent onderweg zijn sorry.

Maar zijn vader ziet hem al van heel ver aankomen. Hij heeft dus staan kijken. Hij rent naar hem toe, en er komt een feest. Muziek, eten, alles.

De oudste zoon staat op het land. Hij hoort de muziek, hij hoort wat er aan de hand is, en hij weigert naar binnen te gaan. Al die jaren, zegt hij, heb ik hier gewerkt. En ik heb nooit een feest gehad.

Dan gaat de vader ook naar buiten. Naar hem toe.

Wat de oudste zoon daarna deed, staat er niet bij.

Wat gebeurt er eigenlijk?
De vader loopt twee keer naar buiten. Eén keer voor het kind dat wegging, en één keer voor het kind dat bleef.
Naar nu

Herken jij dat?

Je broertje maakt iets stuk en krijgt een knuffel. Jij kreeg vorige week op je kop voor iets veel kleiners. Je zegt er niks van, maar er gaat wel iets in je zitten.

Of dit: iemand die het hele jaar niks deed aan de groepsopdracht krijgt bij de presentatie precies dezelfde complimenten als jij, die er drie avonden aan hebt gezeten.

Op zo'n moment ben jij de oudste broer. Je hebt niets fout gedaan — dat is juist het punt. Je hebt alles goed gedaan en het lijkt alsof niemand het gezien heeft.

Dat is een eenzaam soort boos.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer had jij het gevoel dat niemand zag dat jij het goed deed?
  • Wanneer was jij degene die het feest kreeg zonder het verdiend te hebben?
  • Wat zou jij willen horen als je buiten staat en binnen de muziek aangaat?
Ik wil geen feest. Ik wil dat iemand het ziet.
23. Johannes 4

De slimme vraag

Het Bijbelverhaal
Het is midden op de dag en snikheet. Jezus is moe van het lopen en gaat bij een put zitten. Er komt een vrouw water halen. Dat is raar, want niemand haalt water op het heetst van de dag.
Waarschijnlijk komt ze juist dan, omdat er dan niemand is.

En dan gebeurt er iets wat helemaal niet hoort. Hij vraagt haar iets. Geef mij eens wat te drinken.

Dat klinkt klein, maar dat is het niet. Zij hoort bij het verkeerde volk, ze is alleen, en eigenlijk zou hij moeten doen alsof hij haar niet ziet. In plaats daarvan vraagt hij haar om hulp — want zij heeft de emmer en hij niet.

Ze raken aan de praat. Het wordt het langste gesprek dat in het hele boek van hem beschreven staat. En daarna gaat zij het aan de hele stad vertellen.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Hij begint niet met iets géven. Hij begint met iets vragen. Daardoor staat zij niet onderaan.
Naar nu

Herken jij dat?

Er zit iemand bij jou in de klas met wie je nooit praat. Niet omdat je iets tegen hem hebt. Het is er gewoon nooit van gekomen, en inmiddels zou het raar zijn om te beginnen.

Als je aardig wilt doen, denk je meestal aan geven. Je vraagt of hij mee komt doen. Dat is lief bedoeld, maar het zegt ook: ik sta binnen, jij staat buiten, en ik laat je erin.

Er is iets wat beter werkt en dat nog makkelijker is ook. Vraag hem iets. Of je zijn gum mag lenen. Of hij weet hoe je dat ene level uitkomt.

Wie iets vraagt, maakt van de ander even degene die kan helpen.

Kijk eens in de spiegel:

  • Met wie in jouw klas heb je eigenlijk nooit gepraat? Hoe komt dat?
  • Wat zou je diegene kunnen vrágen, in plaats van geven?
  • Wanneer was jij het kind dat mocht meedoen? Hoe voelde dat?
Ik was niet gemeen. Ik keek gewoon nooit.
24. Johannes 8

Wie durft te gooien?

Het Bijbelverhaal
Er komt een grote groep mensen aan en ze duwen een vrouw voor zich uit. Ze heeft iets gedaan wat niet mocht, en volgens de regels van die tijd mag ze daarvoor met stenen bekogeld worden.
Ze zetten haar midden in de kring. Iedereen kan haar zien. En dan vragen ze aan Jezus: en, wat vind jij ervan?

Hij zegt niets. Hij bukt en schrijft met zijn vinger iets in het zand. Wat hij schreef, staat er niet bij. Niemand weet het.

Ze blijven doorvragen. Dan komt hij overeind en zegt één zin: wie van jullie zelf nooit iets fout heeft gedaan, mag de eerste steen gooien.

En dan bukt hij weer, en schrijft verder.

Het wordt stil. En één voor één lopen ze weg. De oudsten het eerst.

Wat gebeurt er eigenlijk?
In een groep durf je dingen die je in je eentje nooit zou doen. Zodra iemand je vraagt om even naar binnen te kijken, valt de groep uit elkaar.
Naar nu

Herken jij dat?

In de groepsapp begint iemand over een klasgenoot. Er komt een tweede berichtje. Dan een derde, met een lachende emoji. Binnen twee minuten doet bijna iedereen mee.

Jij typt ook iets. Niet het ergste — jij bent slimmer, jij zet er iets grappigs neer. Je krijgt drie duimpjes. Dat voelt goed.

's Avonds in bed denk je er nog een keer aan. In je eentje, zonder die duimpjes eromheen, klinkt jouw zinnetje ineens heel anders.

Het gekke aan een groep is dat niemand zich verantwoordelijk voelt. Iedereen denkt: ik deed maar een klein stukje. Bij elkaar opgeteld was het geen klein stukje.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wat was het laatste dat je over iemand doorstuurde of doorvertelde?
  • Wat weet iemand over jou dat je liever niet in een groepsapp zou zien staan?
  • Wie zou er bij jou voor kunnen zorgen dat je stopt? En jij bij wie?
Ik schreef alleen dat ene grapje.
25. Matteüs 26 · Lucas 22

De nacht dat iedereen wegliep

Het Bijbelverhaal
Jezus weet dat er iets ergs gaat gebeuren. Bij het laatste eten met zijn vrienden zegt hij het hardop: straks laten jullie me allemaal alleen. Petrus wordt bijna boos. Ik niet. Nooit.
Later die avond zit Jezus in een tuin en hij is bang. Echt bang. Hij vraagt zijn drie beste vrienden om wakker bij hem te blijven. Als hij terugkomt, slapen ze. Hij maakt ze wakker. Als hij weer terugkomt, slapen ze alweer.

Dan komen de soldaten. En dan rennen ze allemaal weg.

Alleen Petrus loopt op afstand mee, tot op een binnenplaats waar een vuurtje brandt. Iemand kijkt hem aan en zegt: jij hoorde toch bij hem? Nee. Even later weer. Ik ken die man niet. En een derde keer. Ik weet niet waar je het over hebt.

Dan kraait er een haan. Petrus staat op, loopt naar buiten en huilt.

Wat er daarna gebeurt is het ergste. Jezus wordt gedood. Zijn vrienden zijn er niet bij; een paar vrouwen staan op afstand te kijken. Hij wordt in een graf gelegd en er gaat een steen voor.

En op de derde dag is dat graf leeg.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Petrus liegt niet omdat hij slecht is. Hij liegt omdat hij bang is, en dat is een heel gewone reden.
Naar nu

Herken jij dat?

Je hebt een vriend van vroeger. Jullie hebben duizend keer bij elkaar gespeeld. Maar op school hoort hij niet bij de groep waar jij nu bij hoort.

En dan staat hij ineens naast je op het plein, waar iedereen bij is. Iemand vraagt lachend: is dat een vriend van jou? En jij haalt je schouders op en zegt: valt wel mee.

Je hebt niet gelogen, vind je zelf. Je hebt het alleen even kleiner gemaakt. Maar hij heeft het gehoord, en jij weet dat hij het gehoord heeft, en de rest van de dag zit het in je maag.

Petrus deed het drie keer op één avond. En hij was echt de beste vriend die er was.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer maakte jij een vriendschap even kleiner omdat er anderen bij stonden?
  • Wanneer had iemand jou nodig en viel jij in slaap, of keek je net even de andere kant op?
  • Wie zou er bij jou blijven staan als het echt misging? Weet diegene dat van jou?
Ik zei dat hij niet echt mijn vriend was.
26. Johannes 20

Durf te vragen

Het Bijbelverhaal
Na alles wat er gebeurd is, zitten de vrienden bij elkaar achter een dichte deur. Ze zijn bang. Thomas is er die keer niet bij. Als hij terugkomt, praat iedereen door elkaar heen: we hebben hem gezien.
Thomas gelooft het niet. Hij zegt: ik wil het zelf zien. Ik wil het met mijn eigen handen voelen. Anders niet.

Dat is een moedige zin, want hij staat er helemaal alleen mee. Al zijn vrienden zeggen iets anders dan hij.

Een week later is hij er wél bij. En dan hoort hij: kom maar. Kijk maar. Voel maar.

Er staat niet bij of Thomas dat toen ook echt gedaan heeft. Alleen dat hij niet meer twijfelde.

Hij heeft er een bijnaam aan overgehouden die nergens op slaat: ongelovige Thomas. Terwijl hij de enige was die hardop zei wat hij dacht.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Thomas is niet de dwarsligger van de groep. Hij is degene die zegt wat hij denkt, op het moment dat alle anderen al iets anders geloven.
Naar nu

Herken jij dat?

Op school gaat een verhaal rond. Iemand heeft iets gedaan, of er gaat iets gebeuren, en iedereen weet het zeker. Vraag je waar ze het vandaan hebben, dan zegt iemand: van Sem gehoord. En Sem heeft het van iemand anders.

Als jij dan vraagt "weet je dat zeker?", kijken ze je aan alsof je vervelend doet. Meeknikken is makkelijker.

En dan die andere kant. Je zit in de klas en je snapt de som niet. Je kijkt om je heen en niemand steekt zijn vinger op. Dus jij ook niet. Achteraf blijkt dat de halve klas het niet snapte.

Wie iets vraagt, vraagt het meestal voor meer mensen dan alleen zichzelf.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer knikte jij mee terwijl je het eigenlijk niet geloofde?
  • Wat durf jij niet te vragen in de klas? Wat zou er echt gebeuren als je het wel deed?
  • Wie stelt bij jou in de buurt de vragen die jij niet durft te stellen?
Ik knikte. Ik snapte er niks van.
27. Handelingen 2

Een wonderlijke taalles

Het Bijbelverhaal
De vrienden zitten met z'n allen in één huis. En dan gebeurt er iets. Er is een geluid als van harde wind, en het is alsof er kleine vlammen boven hun hoofden staan.
Ze gaan naar buiten, de straat op. Het is druk in de stad. Er zijn mensen uit alle windstreken.

En dan komt het wonderlijke deel. De vrienden praten, en iedereen die het hoort, hoort het in zijn eigen taal. Niet: iedereen gaat opeens dezelfde taal spreken. Iedereen hoort het in de taal van thuis.

De mensen snappen er niets van. Sommigen zeggen: die hebben te veel gedronken. Later vertellen de vrienden dat het de Geest van God was die over hen kwam.

Weet je die toren nog, van eerder in dit boek? Daar liep het mis toen iedereen hetzelfde was en toch niet meer luisterde. Hier gebeurt precies het omgekeerde.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Iedereen blijft precies wie hij is, met zijn eigen taal. En juist daardoor verstaan ze elkaar.
Naar nu

Herken jij dat?

Er komt een nieuw kind in de klas dat nog bijna geen Nederlands spreekt. En de hele klas gaat langzaam en hard praten, alsof hij een beetje doof is.

Dan is er één iemand die iets anders doet. Die gaat naast hem zitten en wijst dingen aan. Of tekent het even. Of leert drie woorden in zijn taal en zegt ze helemaal verkeerd, waar iedereen om moet lachen — hij ook.

Dat werkt. Niet omdat het handiger is, maar omdat die ene niet zat te wachten tot de ander werd zoals hij.

Kijk eens in de spiegel:

  • Tegen wie praat jij weleens harder of langzamer dan nodig is?
  • Wat kun jij wat niemand anders in je klas kan? Wie weet dat eigenlijk?
  • Welke drie woorden zou jij willen leren in de taal van iemand anders?
Ik praatte harder. Alsof dat helpt.
28. Handelingen 9

De vijand in het donker

Het Bijbelverhaal
Saulus is een gevaarlijke man. Hij jaagt op de vrienden van Jezus en zorgt dat ze opgepakt worden. Iedereen kent zijn naam en iedereen is bang voor hem.
Op de weg naar de stad Damascus gebeurt er iets. Er is een fel licht en hij valt op de grond. Hij hoort een stem die zijn naam zegt en vraagt: waarom doe je mij dit aan? Als hij overeind komt, kan hij niets meer zien. Drie dagen zit hij in het donker. Hij eet niet en hij drinkt niet.

In diezelfde stad woont Ananias. God zegt tegen hem: ga naar Saulus toe.

Ananias schrikt zich rot en zegt het gewoon hardop. Weet u wel wie dat is? Ik heb gehoord wat die man doet. Hij is hiernaartoe gekomen om ons op te halen.

Maar hij gaat. Hij loopt dat huis binnen, legt zijn handen op de schouders van de gevaarlijkste man die hij kent, en zegt: Saul, mijn broeder.

Wat gebeurt er eigenlijk?
Saulus verandert in het donker, maar niet in zijn eentje. Er moest iemand naar binnen lopen die net zo bang was als jij zou zijn.
Naar nu

Herken jij dat?

Het kind dat je het hele jaar heeft gepest, komt naar je toe en zegt sorry.

Je gelooft er niets van. Dat is ook niet gek — je hebt honderd keer meegemaakt dat hij aardig deed en daarna weer niet. Je gezicht staat al op nee voordat je iets hebt gezegd.

En hier zit iets moeilijks. Iemand die wil veranderen, kan dat bijna nooit alleen. Hij heeft iemand nodig die hem alvast een keer gelooft, terwijl het nog helemaal niet zeker is.

Dat hoef jij niet te zijn. Als hij jou al die tijd heeft gepest, is dat echt niet jouw taak. Maar iemand moet het doen, anders blijft hij precies wie hij was.

Kijk eens in de spiegel:

  • Wie geloofde jou een keer terwijl je het zelf nog niet zeker wist?
  • Wie wacht er misschien nog op een tweede kans van jou? Wil je die geven?
  • Als jij morgen iets heel anders zou doen dan anders, wie zou dat als eerste geloven?
Ik hoop dat iemand mij gelooft als ik het zeg.
Nawoord

De spiegel neerleggen

Dit waren ze. Achtentwintig verhalen, sommige duizenden jaren oud.

Wat opvalt als je ze achter elkaar leest, is hoe weinig mensen veranderd zijn. Ze waren jaloers op hun broer. Ze liepen door terwijl er iemand lag. Ze deden alsof ze hun vriend niet kenden toen het spannend werd. Ze bouwden iets moois en vergaten naar elkaar te luisteren.

Dat is misschien niet vrolijk. Maar het is wel geruststellend. Wat jij voelt is niet raar en niet nieuw. Er zijn duizenden jaren mensen vóór jou geweest die precies hetzelfde voelden.

De verhalen lossen niets voor je op. Ze helpen je alleen scherper te kijken.
De Praktijk

Terug naar het gewone leven

Het echte werk begint als je dit boek dichtslaat. En het is klein werk.

Een lelijke opmerking inslikken. Iemand opzoeken die er alleen bij staat. Een keer niets terugdoen. Vragen: weet je dat zeker?

Veel meer is het niet.

Kijk nog één keer in de spiegel:

  • Welk verhaal neem je mee in je rugzak?
  • Wat ga je morgen een klein beetje anders doen?
  • Wie ben jij, als je in de spiegel kijkt?
Jouw verhaal

Wat heb jij beleefd?

Alle verhalen in dit boek zijn ooit door iemand opgeschreven, omdat er iets gebeurd was dat hij niet wilde vergeten.

Nu jij.

Schrijf hier iets op dat jou is overkomen. Het hoeft niet bijzonder te zijn. Het mag ook een tekening zijn.

Over duizenden jaren is dit ook een oud verhaal.
Naar nu

Dit is wat er gebeurde:

Kijk eens in de spiegel:

Voor de volwassenen

Voor wie meeleest

Dit boek stelt vragen waar geen goed antwoord op is. Dat is geen bescheidenheid; dat is de bedoeling.

Verbeter het antwoord niet. Zegt een kind dat het niet jaloers was terwijl u zag van wel, laat het dan staan. De vraag heeft zijn werk gedaan op het moment dat hij gesteld is. Wat er daarna in dat hoofd gebeurt, hoeft u niet te horen.

Stilte is ook een antwoord. Soms betekent "weet ik niet" gewoon: niet nu, en niet aan u.

Geef zelf ook antwoord. Kinderen praten pas eerlijk als er iemand vóór hen eerlijk is geweest. Een volwassene die vertelt wanneer hij zelf doorliep, doet meer dan tien vragen.

En pas op met de timing. Een kind mag zelf een hoofdstuk opzoeken na een rotdag; dat is precies waar dit boek voor is. Maar als ú het aandraagt, tien minuten na de ruzie waar het over gaat, is het geen spiegel meer. Dan is het een preek met een omweg. Wacht een dag.