Van 3

De slimme koning

is net koning en hij is nog jong. Er komen twee vrouwen bij hem die allebei zeggen dat hetzelfde kind van hen is.

Er zijn geen . Er is geen bewijs. Het is het woord van de een tegen dat van de ander.

Salomo denkt na. En dan zegt hij iets vreselijks: haal een zwaard. We hakken het kind doormidden, dan krijgt ieder de helft.

Eén van de twee zegt: goed. Doe maar. Dan heeft geen van ons hem.

De ander schreeuwt: nee! Geef hem dan maar aan haar. Als hij maar blijft leven.

En dan weet Salomo genoeg. Geef het kind aan die tweede vrouw, zegt hij. Zij is de moeder.

Salomo vraagt niet wie er gelijk heeft, want dat zeggen ze allebei. Hij maakt een situatie waarin je kunt zien wie er bereid is iets te verliezen.

Naar nu

Herken jij dat?

Jullie trekken met z'n tweeën aan hetzelfde ding. Allebei roep je dat het van jou is.

En op een gegeven moment gaat het niet meer om dat ding. Het gaat erom dat je niet wilt toegeven.

Je hoort het kraken. En je trekt nog een keer.

Als een van jullie dan loslaat, denkt de ander meestal: gewonnen. Maar degene die losliet, was degene die nog wist waar het over ging.

Toegeven? Echt niet. Ik duw door tot het breekt — puur om te winnen!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer heb jij zo hard om je gelijk gevochten dat je vergat waar het over ging?
  • Wat zou jij niet willen laten breken, ook al zou je dan verliezen?
  • Wanneer liet iemand voor jou los? Merkte je het?

Spiegelzin

Het liefst zou ik blijven zeuren tot ik gelijk kreeg, maar ik heb geleerd dat wie het eerst loslaat vaak nog het beste weet waar het echt over ging.

Van 38

Als het ineens stormt

Job raakt in korte tijd alles kwijt. Zijn dieren, zijn huis, de mensen van wie hij hield. Daarna wordt hij ook nog ziek. Hij zit in het stof en snapt er niets van.

Drie vrienden komen langs. Zeven dagen zeggen ze niets. Ze zitten alleen maar naast hem.

Dan beginnen ze te praten, en alle drie zeggen ze hetzelfde: je moet iets fout hebben gedaan.

Job blijft vragen. Waarom? Waarom ik? Er komt geen antwoord.

Tot er een storm opsteekt. Uit die storm spreekt , en Job denkt: nu hoor ik het eindelijk. Maar God geeft geen antwoord. Hij stelt vragen.

*Waar was jij toen de aarde werd gemaakt? Weet jij waar de sneeuw wordt bewaard? Kun jij een wilde ezel temmen?*

Bijna honderd vragen. En niet één antwoord.

En als de storm gaat liggen, is Job rustig.

Bij pech zoeken we een reden, want een reden maakt de wereld weer veilig. Jobs vrienden troosten Job niet. Ze troosten zichzelf.

Naar nu

Herken jij dat?

Er gebeurt iets heel naars bij een kind uit je klas. En op het plein zegt iemand: "Ja, zijn vader rijdt ook altijd veel te hard."

Zulke zinnen zeggen we omdat we bang zijn. Als er een reden is, kan het ons niet overkomen. Maar er is niet altijd een reden.

En dan dat andere moment. Je staat naast iemand die verdrietig is en je weet niet wat je moet zeggen. Alle zinnen die je bedenkt klinken stom. Dus zeg je maar niks en loop je door.

Terwijl diegene misschien helemaal geen zin nodig had. Alleen iemand die bleef zitten.

Naast hem gaan zitten? Geen tijd voor. Ik denk gewoon: gelukkig ben ik het niet, en ga lekker verder met mijn dag!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer wist jij niet wat je moest zeggen tegen iemand met verdriet?
  • Wanneer dacht jij stiekem: dat heeft hij ook een beetje aan zichzelf te danken?
  • Wil je iemand die het uitlegt, of iemand die naast je blijft zitten?

Spiegelzin

Het liefst zou ik denken: gelukkig ben ik het niet, maar ik heb geleerd dat een reden zoeken meestal jezelf troost, niet de ander.

Van het boek

De mopperaar in de zon

zegt tegen Jona: ga naar . Dat is de stad van de vijand, en Jona heeft geen zin. Dus gaat hij precies de andere kant op.

Er komt een storm. Hij wordt overboord gegooid, een reusachtige vis slikt hem in, en drie dagen later spuugt die hem uit op het strand.

Dan loopt hij alsnog naar Ninevé. Hij zegt één zin. En tot zijn verbijstering luistert de hele stad. Iedereen zegt sorry en gaat het anders doen.

Het loopt dus fantastisch af. En Jona is woedend.

Hij gaat buiten de stad op een heuvel zitten mokken. Boven zijn hoofd groeit een plant die hem schaduw geeft, en dáár is hij dolblij mee. Maar de volgende ochtend knaagt een wormpje de steel kapot. De plant verdroogt, de zon brandt, en Jona wil niet meer verder.

Dan stelt God hem de laatste vraag: je bent kapot van een plantje dat je niet eens zelf hebt geplant. En al die duizenden mensen dan?

Het boek stopt daar. We horen nooit wat Jona antwoordde.

Jona is niet boos omdat er iets ergs gebeurt. Hij is boos omdat er iets goeds gebeurt, met de verkeerde mensen.

Naar nu

Herken jij dat?

Er is een kind in je klas dat al het hele jaar vervelend doet. Jij weet precies wie hij is. Dat is die pestkop. Klaar.

En dan biedt hij een keer zijn excuses aan, en de juf zegt dat hij weer mag meedoen. Iedereen is blij. En jij staat ernaast en voelt iets raars: je baalt. Je hoopt eigenlijk een beetje dat hij het weer verpest.

Dat komt niet doordat je gemeen bent. Het komt doordat je hem al een vast plekje had gegeven in je hoofd, en dat plekje klopt nu niet meer.

Blij voor hem zijn? Vergeet het. Ik hoop stiekem dat hij het weer verpest, precies nu het eindelijk goed gaat!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wie heeft er bij jou een vast plekje in je hoofd? Klopt dat plekje nog?
  • Wanneer baalde jij van iets leuks dat een ander overkwam?
  • Waar werd jij deze week het meest boos om? Was dat ook het belangrijkste dat er die week gebeurde?

Spiegelzin

Het liefst zou ik hopen dat hij het weer verpest, maar ik heb geleerd dat ik hem dan nog steeds vastzet op de plek die ik hem ooit gaf — ook als hij daar allang niet meer past.