
Van 19
De volle rugzak
Er komt een jongeman naar toe. Hij is rijk, hij is aardig, en hij doet echt zijn best. Hij vraagt: wat moet ik nog meer doen om goed te leven?
Waarschijnlijk verwacht hij te horen dat hij het prima doet.
Maar het antwoord is: verkoop alles wat je hebt, geef het weg, en ga mee.
De jongeman staat daar. Hij zegt niets terug. Hij draait zich om en loopt weg. En er staat één klein zinnetje bij dat het hele verhaal draagt: hij ging verdrietig weg, want hij bezat heel veel.
Hij is niet boos. Hij is verdrietig. Hij wíl wel. Maar zijn spullen hebben hem steviger vast dan hij ze heeft.
Naar nu
Herken jij dat?
Je krijgt iets nieuws waar je hartstikke blij mee bent. En de rest van de dag ben je er vooral bang voor. Je neemt het niet mee naar buiten, want straks valt het. Je laat niemand het vasthouden.
Buiten roepen ze of je komt helpen met de hut. En jij zit binnen op je nieuwe ding te passen.
Of je koffer voor op kamp. Je propt hem vol met alles wat je misschien nodig hebt, en op de heenweg sjouw je je rot. De helft komt er nooit uit.
Delen? Echt niet. Ik dump al mijn rotzooi bij een ander, dan reis ik zelf lekker licht!
Kijk eens in de spiegel:
- Wat heb jij dat je vooral bewaakt in plaats van gebruikt?
- Wanneer bleef jij binnen omdat je iets niet mee durfde te nemen?
- Als je nu precies één ding zou moeten weggeven, wat zou dat dan zijn? Niet het makkelijkste antwoord — het eerlijke.
Spiegelzin
Het liefst zou ik gewoon alles houden, maar ik heb geleerd dat spullen je niet vrijer maken — je moet ze ook bewaken, schoonhouden en niet kwijtraken.

Van 10
De held uit het verkeerde kamp
Iemand vraagt aan : wie moet ik eigenlijk helpen? Wie hoort er bij mij?
Jezus antwoordt met een verhaal. Een man loopt over een eenzame weg en wordt overvallen. Ze slaan hem neer en laten hem halfdood in de berm liggen.
Er komt iemand belangrijks aan. Hij ziet de man liggen, steekt over, en loopt aan de andere kant van de weg verder. Even later komt er nog zo iemand. Ook die steekt over.
Dan komt er een langs. En dat is nou precies iemand uit het verkeerde kamp: de mensen die naar dit verhaal luisteren, moeten niets van Samaritanen hebben.
Hij stopt. Hij verzorgt de wonden, zet de man op zijn eigen ezel, brengt hem naar een en betaalt voor hem.
Aan het eind draait Jezus de vraag om. Niet: wie hoort er bij jou? Maar: wie werd er hier een ?
Naar nu
Herken jij dat?
Op het plein gaat iemand hard onderuit. Niet zomaar iemand: dat is dat stoere kind dat vorige week nog rot tegen je deed. Je eerste gedachte is: eigen schuld.
Je blijft staan. En in die paar seconden bedenk je drie redenen om door te lopen. Je komt te laat. Er staan al anderen bij. En hij wil vast helemaal niet dat jíj hem helpt.
Die redenen zijn niet gelogen. Ze kloppen alle drie een beetje.
Dat is precies wat ze zo handig maakt.
Stoppen om te helpen? Waarom zou ik. Hij zou mij toch zeker ook niet helpen!
Kijk eens in de spiegel:
- Wie zou jij nooit helpen? Denk even echt na. Je hoeft het tegen niemand te zeggen.
- Welke reden gebruik jij het vaakst om door te lopen?
- Wie hielp jou een keer terwijl je dat helemaal niet had verwacht?
Spiegelzin
Het liefst zou ik gewoon doorlopen, maar ik heb geleerd dat de vraag niet is wie mijn hulp verdient, maar wie ik word als er iemand ligt.

Van 15
Het oneerlijke feest
Een vader heeft twee zonen. De jongste wil niet wachten en vraagt zijn deel van het geld nu alvast. Hij vertrekt, geeft alles uit, en houdt niets over. Uiteindelijk werkt hij tussen de varkens en heeft hij zo'n honger dat hij het varkensvoer wil eten.
Hij besluit terug te gaan, en oefent onderweg zijn sorry.
Maar zijn vader ziet hem al van heel ver aankomen. Hij heeft dus staan kijken. Hij rent naar hem toe, en er komt een feest. Muziek, eten, alles.
De oudste zoon staat op het land. Hij hoort de muziek, hij hoort wat er aan de hand is, en hij weigert naar binnen te gaan. Al die jaren, zegt hij, heb ik hier gewerkt. En ik heb nooit een feest gehad.
Dan gaat de vader ook naar buiten. Naar hem toe.
Wat de oudste zoon daarna deed, staat er niet bij.
Naar nu
Herken jij dat?
Je broertje maakt iets stuk en krijgt een knuffel. Jij kreeg vorige week op je kop voor iets veel kleiners. Je zegt er niks van, maar er gaat wel iets in je zitten.
Of dit: iemand die het hele jaar niks deed aan de groepsopdracht krijgt bij de presentatie precies dezelfde complimenten als jij, die er drie avonden aan hebt gezeten.
Op zo'n moment ben jij de oudste broer. Je hebt niets fout gedaan — dat is juist het punt. Je hebt alles goed gedaan en het lijkt alsof niemand het gezien heeft.
Dat is een eenzaam soort boos.
Blij zijn voor hem? Nou nee. Ik geef hem een feestje dat hij nooit vergeet!
Kijk eens in de spiegel:
- Wanneer had jij het gevoel dat niemand zag dat jij het goed deed?
- Wanneer was jij degene die het feest kreeg zonder het verdiend te hebben?
- Wat zou jij willen horen als je buiten staat en binnen de muziek aangaat?
Spiegelzin
Het liefst zou ik zeggen dat ik het feest niet erg vond, maar ik heb geleerd dat je best jaloers mag zijn op een feestje — zolang je het ook een keer hardop zegt.