
Van 14
De taaie woestijnreis
Ze zijn onderweg naar een nieuw land. Het is heet, het is zwaar, en het duurt lang.
Er worden twaalf mannen vooruitgestuurd om te kijken. Tien van hen komen terug met slecht nieuws: het is prachtig daar, maar de mensen zijn reuzen en wij zijn sprinkhanen. Twee zeggen: het kan wel.
Er wordt naar de tien geluisterd.
Die nacht huilt het hele kamp. Ze zeggen tegen elkaar: waren we maar in Egypte gebleven, daar hadden we tenminste eten. Ze vergeten even dat ze daar slaaf waren.
En dan lopen ze veertig jaar rond in de woestijn. Kinderen worden onderweg geboren en leren lopen in het zand; ze groeien op en krijgen zelf kinderen, zonder ooit iets anders gezien te hebben dan tenten en steen. Pas hun kinderen komen aan. Niet zij.
Naar nu
Herken jij dat?
Je zit drie weken op een nieuwe school. Alles is anders, je weet nog niet waar je moet zitten in de pauze, en je mist je oude klas ineens vreselijk.
Terwijl je daar vaak baalde. Dat weet je best. Je voelt het alleen niet.
Dit is het lastigste stuk. Niet het begin en niet het eind, maar het midden. Het oude is weg en het nieuwe is er nog niet.
Dat duurt bij iedereen even. En bij niemand precies even lang.
Volhouden? Zoek het maar uit. Ik laat hem gewoon achter met al zijn gezeur over vroeger!
Kijk eens in de spiegel:
- Waar wilde jij mee stoppen omdat het te lang duurde?
- Welk vroeger maak jij weleens mooier dan het was?
- Wat helpt jou als je middenin iets zit dat nog niet af is?
Spiegelzin
Het liefst zou ik zeggen dat ik nooit meer ga, maar ik heb geleerd dat het lastigste stuk altijd het midden is — niet het begin en niet het eind.

Van 17
De herdersjongen en de reus
Twee legers staan tegenover elkaar en er gebeurt niets. Elke dag komt naar voren en roept: stuur er maar één, dan vechten we het samen uit. Hij is enorm en niemand durft.
Veertig dagen lang.
Dan komt eten brengen voor zijn broers. Hij hoort het en zegt: ik doe het wel.
Koning Saul hangt hem een om. Een helm, een zwaard, het hele pak. David loopt drie stappen en zegt: hier kan ik niet in lopen, ik heb dit nog nooit gedragen.
Hij doet het uit. Hij pakt zijn stok en zoekt vijf gladde stenen uit de beek.
Goliat ziet hem aankomen en begint te lachen.
En dan gaat het heel snel.
Naar nu
Herken jij dat?
Je doet mee met de grote kinderen. Zij duwen en trekken en zijn twee koppen groter. Als jij dat ook probeert, lig je binnen een minuut op de grond.
Maar jij bent sneller. En kleiner. En jij ziet gaten die zij niet zien.
Dat geldt niet alleen bij sport. Iemand in je klas kan heel goed praten en jij niet. Ga je hem nadoen, dan hoor je zelf dat het nep klinkt. Zeg je gewoon wat je zelf zou zeggen, dan hoor je dat het klopt.
Bang zijn? Nooit van gehoord. Ik maak die irritante bullebak gewoon een kopje kleiner!
Kijk eens in de spiegel:
- Wiens heb jij weleens aangetrokken?
- Wat kun jij, dat niet lijkt op wat de rest kan?
- Wanneer voelde jij je klein tegenover iets groots? Wat deed je toen?
Spiegelzin
Het liefst zou ik net zo hard doen als hij, maar ik heb geleerd dat je iemand niet verslaat door zijn harnas aan te trekken — alleen door jezelf te blijven.

Van 3
De slimme koning
is net koning en hij is nog jong. Er komen twee vrouwen bij hem die allebei zeggen dat hetzelfde kind van hen is.
Er zijn geen . Er is geen bewijs. Het is het woord van de een tegen dat van de ander.
Salomo denkt na. En dan zegt hij iets vreselijks: haal een zwaard. We hakken het kind doormidden, dan krijgt ieder de helft.
Eén van de twee zegt: goed. Doe maar. Dan heeft geen van ons hem.
De ander schreeuwt: nee! Geef hem dan maar aan haar. Als hij maar blijft leven.
En dan weet Salomo genoeg. Geef het kind aan die tweede vrouw, zegt hij. Zij is de moeder.
Naar nu
Herken jij dat?
Jullie trekken met z'n tweeën aan hetzelfde ding. Allebei roep je dat het van jou is.
En op een gegeven moment gaat het niet meer om dat ding. Het gaat erom dat je niet wilt toegeven.
Je hoort het kraken. En je trekt nog een keer.
Als een van jullie dan loslaat, denkt de ander meestal: gewonnen. Maar degene die losliet, was degene die nog wist waar het over ging.
Toegeven? Echt niet. Ik duw door tot het breekt — puur om te winnen!
Kijk eens in de spiegel:
- Wanneer heb jij zo hard om je gelijk gevochten dat je vergat waar het over ging?
- Wat zou jij niet willen laten breken, ook al zou je dan verliezen?
- Wanneer liet iemand voor jou los? Merkte je het?
Spiegelzin
Het liefst zou ik blijven zeuren tot ik gelijk kreeg, maar ik heb geleerd dat wie het eerst loslaat vaak nog het beste weet waar het echt over ging.