
Van 8
Wie durft te gooien?
Er komt een grote groep mensen aan en ze duwen een vrouw voor zich uit. Ze heeft iets gedaan wat niet mocht, en volgens de regels van die tijd mag ze daarvoor met stenen bekogeld worden.
Ze zetten haar midden in de kring. Iedereen kan haar zien. En dan vragen ze aan : en, wat vind jij ervan?
Hij zegt niets. Hij bukt en schrijft met zijn vinger iets in het zand. Wat hij schreef, staat er niet bij. Niemand weet het.
Ze blijven doorvragen. Dan komt hij overeind en zegt één zin: wie van jullie zelf nooit iets fout heeft gedaan, mag de eerste steen gooien.
En dan bukt hij weer, en schrijft verder.
Het wordt stil. En één voor één lopen ze weg. De oudsten het eerst.
Naar nu
Herken jij dat?
Op het schoolplein begint iemand over een klasgenoot. Er komt een tweede opmerking. Dan een derde, met een gemene grap erbovenop. Binnen twee minuten doet bijna iedereen mee.
Jij zegt ook iets. Niet het ergste — jij bent slimmer, jij zegt iets grappigs. Iedereen lacht. Dat voelt goed.
's Avonds in bed denk je er nog een keer aan. In je eentje, zonder dat gelach eromheen, klinkt jouw zinnetje ineens heel anders.
Het gekke aan een groep is dat niemand zich verantwoordelijk voelt. Iedereen denkt: ik deed maar een klein stukje. Bij elkaar opgeteld was het geen klein stukje.
Niet durven gooien? Zeg dat dan gewoon. Geef mij de grootste steen maar!
Kijk eens in de spiegel:
- Wat was het laatste dat je over iemand doorvertelde, terwijl je het net zo goed voor je had kunnen houden?
- Wat weet iemand over jou dat je liever niet overal op het plein rondverteld zou willen zien?
- Wie zou er bij jou voor kunnen zorgen dat je stopt? En jij bij wie?
Spiegelzin
Het liefst zou ik alleen dat ene grapje gezegd hebben, maar ik heb geleerd dat een groep je nooit verantwoordelijk laat vóélen — ook als je het wél was.

Van 26 en 22
De nacht dat iedereen wegliep
weet dat er iets ergs gaat gebeuren. Bij het laatste eten met zijn vrienden zegt hij het hardop: straks laten jullie me allemaal alleen.
wordt bijna boos. *Ik niet. Nooit.*
Later die avond zit Jezus in een tuin en hij is bang. Echt bang. Hij vraagt zijn drie beste vrienden om wakker bij hem te blijven. Als hij terugkomt, slapen ze. Hij maakt ze wakker. Als hij weer terugkomt, slapen ze alweer.
Dan komen de soldaten. En dan rennen ze allemaal weg.
Alleen Petrus loopt op afstand mee, tot op een binnenplaats waar een vuurtje brandt. Iemand kijkt hem aan en zegt: jij hoorde toch bij hem? *Nee.* Even later weer. *Ik ken die man niet.* En een derde keer. *Ik weet niet waar je het over hebt.*
Dan kraait er een haan. Petrus staat op, loopt naar buiten en huilt.
Wat er daarna gebeurt is het ergste. Jezus wordt gedood. Zijn vrienden zijn er niet bij; een paar vrouwen staan op afstand te kijken. Hij wordt in een graf gelegd en er gaat een steen voor.
En op de derde dag is dat graf leeg.
Naar nu
Herken jij dat?
Je hebt een vriend van vroeger. Jullie hebben duizend keer bij elkaar gespeeld. Maar op school hoort hij niet bij de groep waar jij nu bij hoort.
En dan staat hij ineens naast je op het plein, waar iedereen bij is. Iemand vraagt lachend: is dat een vriend van jou? En jij haalt je schouders op en zegt: valt wel mee.
Je hebt niet gelogen, vind je zelf. Je hebt het alleen even kleiner gemaakt. Maar hij heeft het gehoord, en jij weet dat hij het gehoord heeft, en de rest van de dag zit het in je maag.
deed het drie keer op één avond. En hij was echt de beste vriend die er was.
Eerlijk zijn dat ik met hem omga? Zal ik wel laten. Straks weten ze dat ik ook een sukkel ben!
Kijk eens in de spiegel:
- Wanneer maakte jij een vriendschap even kleiner omdat er anderen bij stonden?
- Wanneer had iemand jou nodig en viel jij in slaap, of keek je net even de andere kant op?
- Wie zou er bij jou blijven staan als het echt misging? Weet diegene dat van jou?
Spiegelzin
Het liefst zou ik zeggen dat hij niet echt mijn vriend was, maar ik heb geleerd dat ik dat meestal alleen zeg als ik zelf bang ben — en dat is een heel gewone reden.

Van 20
Durf te vragen
Na alles wat er gebeurd is, zitten de vrienden bij elkaar achter een dichte deur. Ze zijn bang.
is er die keer niet bij. Als hij terugkomt, praat iedereen door elkaar heen: we hebben hem gezien.
Thomas gelooft het niet. Hij zegt: ik wil het zelf zien. Ik wil het met mijn eigen handen voelen. Anders niet.
Dat is een moedige zin, want hij staat er helemaal alleen mee. Al zijn vrienden zeggen iets anders dan hij.
Een week later is hij er wél bij. En dan hoort hij: kom maar. Kijk maar. Voel maar.
Er staat niet bij of Thomas dat toen ook echt gedaan heeft. Alleen dat hij niet meer twijfelde.
Hij heeft er een bijnaam aan overgehouden die nergens op slaat: ongelovige Thomas. Terwijl hij de enige was die hardop zei wat hij dacht.
Naar nu
Herken jij dat?
Op school gaat een verhaal rond. Iemand heeft iets gedaan, of er gaat iets gebeuren, en iedereen weet het zeker. Vraag je waar ze het vandaan hebben, dan zegt iemand: van Sem gehoord. En Sem heeft het van iemand anders.
Als jij dan vraagt "weet je dat zeker?", kijken ze je aan alsof je vervelend doet. Meeknikken is makkelijker.
En dan die andere kant. Je zit in de klas en je snapt de som niet. Je kijkt om je heen en niemand steekt zijn vinger op. Dus jij ook niet. Achteraf blijkt dat de halve klas het niet snapte.
Wie iets vraagt, vraagt het meestal voor meer mensen dan alleen zichzelf.
Vragen stellen? Zonde van de tijd. Ik knik lekker overal in mee en noem hém de rare van het stel!
Kijk eens in de spiegel:
- Wanneer knikte jij mee terwijl je het eigenlijk niet geloofde?
- Wat durf jij niet te vragen in de klas? Wat zou er echt gebeuren als je het wel deed?
- Wie stelt bij jou in de buurt de vragen die jij niet durft te stellen?
Spiegelzin
Het liefst zou ik meeknikken zonder iets te snappen, maar ik heb geleerd dat wie een vraag durft te stellen, dat meestal voor meer mensen doet dan alleen zichzelf.