Van 17

De herdersjongen en de reus

Twee legers staan tegenover elkaar en er gebeurt niets. Elke dag komt naar voren en roept: stuur er maar één, dan vechten we het samen uit. Hij is enorm en niemand durft.

Veertig dagen lang.

Dan komt eten brengen voor zijn broers. Hij hoort het en zegt: ik doe het wel.

Koning Saul hangt hem een om. Een helm, een zwaard, het hele pak. David loopt drie stappen en zegt: hier kan ik niet in lopen, ik heb dit nog nooit gedragen.

Hij doet het uit. Hij pakt zijn stok en zoekt vijf gladde stenen uit de beek.

Goliat ziet hem aankomen en begint te lachen.

En dan gaat het heel snel.

Het harnas is het gevaarlijkste in dit verhaal. Het is bedoeld om je te beschermen, maar in andermans harnas kun je niet bewegen.

Naar nu

Herken jij dat?

Je doet mee met de grote kinderen. Zij duwen en trekken en zijn twee koppen groter. Als jij dat ook probeert, lig je binnen een minuut op de grond.

Maar jij bent sneller. En kleiner. En jij ziet gaten die zij niet zien.

Dat geldt niet alleen bij sport. Iemand in je klas kan heel goed praten en jij niet. Ga je hem nadoen, dan hoor je zelf dat het nep klinkt. Zeg je gewoon wat je zelf zou zeggen, dan hoor je dat het klopt.

Bang zijn? Nooit van gehoord. Ik maak die irritante bullebak gewoon een kopje kleiner!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wiens heb jij weleens aangetrokken?
  • Wat kun jij, dat niet lijkt op wat de rest kan?
  • Wanneer voelde jij je klein tegenover iets groots? Wat deed je toen?

Spiegelzin

Het liefst zou ik net zo hard doen als hij, maar ik heb geleerd dat je iemand niet verslaat door zijn harnas aan te trekken — alleen door jezelf te blijven.

Van 3

De slimme koning

is net koning en hij is nog jong. Er komen twee vrouwen bij hem die allebei zeggen dat hetzelfde kind van hen is.

Er zijn geen . Er is geen bewijs. Het is het woord van de een tegen dat van de ander.

Salomo denkt na. En dan zegt hij iets vreselijks: haal een zwaard. We hakken het kind doormidden, dan krijgt ieder de helft.

Eén van de twee zegt: goed. Doe maar. Dan heeft geen van ons hem.

De ander schreeuwt: nee! Geef hem dan maar aan haar. Als hij maar blijft leven.

En dan weet Salomo genoeg. Geef het kind aan die tweede vrouw, zegt hij. Zij is de moeder.

Salomo vraagt niet wie er gelijk heeft, want dat zeggen ze allebei. Hij maakt een situatie waarin je kunt zien wie er bereid is iets te verliezen.

Naar nu

Herken jij dat?

Jullie trekken met z'n tweeën aan hetzelfde ding. Allebei roep je dat het van jou is.

En op een gegeven moment gaat het niet meer om dat ding. Het gaat erom dat je niet wilt toegeven.

Je hoort het kraken. En je trekt nog een keer.

Als een van jullie dan loslaat, denkt de ander meestal: gewonnen. Maar degene die losliet, was degene die nog wist waar het over ging.

Toegeven? Echt niet. Ik duw door tot het breekt — puur om te winnen!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer heb jij zo hard om je gelijk gevochten dat je vergat waar het over ging?
  • Wat zou jij niet willen laten breken, ook al zou je dan verliezen?
  • Wanneer liet iemand voor jou los? Merkte je het?

Spiegelzin

Het liefst zou ik blijven zeuren tot ik gelijk kreeg, maar ik heb geleerd dat wie het eerst loslaat vaak nog het beste weet waar het echt over ging.

Van 38

Als het ineens stormt

Job raakt in korte tijd alles kwijt. Zijn dieren, zijn huis, de mensen van wie hij hield. Daarna wordt hij ook nog ziek. Hij zit in het stof en snapt er niets van.

Drie vrienden komen langs. Zeven dagen zeggen ze niets. Ze zitten alleen maar naast hem.

Dan beginnen ze te praten, en alle drie zeggen ze hetzelfde: je moet iets fout hebben gedaan.

Job blijft vragen. Waarom? Waarom ik? Er komt geen antwoord.

Tot er een storm opsteekt. Uit die storm spreekt , en Job denkt: nu hoor ik het eindelijk. Maar God geeft geen antwoord. Hij stelt vragen.

*Waar was jij toen de aarde werd gemaakt? Weet jij waar de sneeuw wordt bewaard? Kun jij een wilde ezel temmen?*

Bijna honderd vragen. En niet één antwoord.

En als de storm gaat liggen, is Job rustig.

Bij pech zoeken we een reden, want een reden maakt de wereld weer veilig. Jobs vrienden troosten Job niet. Ze troosten zichzelf.

Naar nu

Herken jij dat?

Er gebeurt iets heel naars bij een kind uit je klas. En op het plein zegt iemand: "Ja, zijn vader rijdt ook altijd veel te hard."

Zulke zinnen zeggen we omdat we bang zijn. Als er een reden is, kan het ons niet overkomen. Maar er is niet altijd een reden.

En dan dat andere moment. Je staat naast iemand die verdrietig is en je weet niet wat je moet zeggen. Alle zinnen die je bedenkt klinken stom. Dus zeg je maar niks en loop je door.

Terwijl diegene misschien helemaal geen zin nodig had. Alleen iemand die bleef zitten.

Naast hem gaan zitten? Geen tijd voor. Ik denk gewoon: gelukkig ben ik het niet, en ga lekker verder met mijn dag!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer wist jij niet wat je moest zeggen tegen iemand met verdriet?
  • Wanneer dacht jij stiekem: dat heeft hij ook een beetje aan zichzelf te danken?
  • Wil je iemand die het uitlegt, of iemand die naast je blijft zitten?

Spiegelzin

Het liefst zou ik denken: gelukkig ben ik het niet, maar ik heb geleerd dat een reden zoeken meestal jezelf troost, niet de ander.