
Van 20
Spelregels in de woestijn
Het volk is vrij. Ze zijn weg uit Egypte en ze kunnen doen wat ze willen.
En dat gaat mis. Want als niemand iets heeft afgesproken, is degene met de grootste mond de baas. Overal in het kamp is ruzie: van wie is die geit, wie mag er als eerste bij de put, wie zei dat nou precies.
klimt de berg op. Beneden staat het hele volk te wachten, en de berg zelf rookt en dreunt alsof er onweer in zit. Daarboven geeft aan Mozes tien afspraken. De eerste paar gaan over God zelf. De rest gaat over hoe mensen met elkaar omgaan, en die zijn kort. Neem niet wat van een ander is. Zeg geen dingen over iemand die niet waar zijn. Loop niet de hele tijd te verlangen naar wat je buurman heeft. En: één dag in de week doe je niets.
Het zijn geen strafregels. Het zijn afspraken die ervoor zorgen dat je met elkaar kunt leven zonder dat het elke dag ruzie is.
Mozes komt de berg af met twee stenen platen in zijn armen, door God zelf beschreven.
Naar nu
Herken jij dat?
Voetballen op het plein zonder scheidsrechter en zonder lijnen. De eerste twee minuten is het leuk. Dan pakt iemand de bal met zijn handen, roept iemand anders dat het buitenspel was, en is er ruzie.
Pas als je hebt afgesproken waar het doel staat en wat niet mag, kun je echt spelen.
Thuis werkt het net zo. Die regel dat de tablet of telefoon aan tafel weggaat, is irritant. Maar hij zorgt er wel voor dat er gepraat wordt.
Regels volgen? Dacht het niet. Ik verzin gewoon mijn eigen regels — precies zo dat ik altijd win!
Kijk eens in de spiegel:
- Welke regel vind jij thuis of op school het stomst?
- Waar is die regel eigenlijk voor bedoeld, denk je?
- Welke regel zou jij invoeren als jij het één dag voor het zeggen had?
Spiegelzin
Het liefst zou ik zelf de regels maken die alleen mij uitkomen, maar ik heb geleerd dat zonder regels niet de vrijheid wint, maar de sterkste.

Van 14
De taaie woestijnreis
Ze zijn onderweg naar een nieuw land. Het is heet, het is zwaar, en het duurt lang.
Er worden twaalf mannen vooruitgestuurd om te kijken. Tien van hen komen terug met slecht nieuws: het is prachtig daar, maar de mensen zijn reuzen en wij zijn sprinkhanen. Twee zeggen: het kan wel.
Er wordt naar de tien geluisterd.
Die nacht huilt het hele kamp. Ze zeggen tegen elkaar: waren we maar in Egypte gebleven, daar hadden we tenminste eten. Ze vergeten even dat ze daar slaaf waren.
En dan lopen ze veertig jaar rond in de woestijn. Kinderen worden onderweg geboren en leren lopen in het zand; ze groeien op en krijgen zelf kinderen, zonder ooit iets anders gezien te hebben dan tenten en steen. Pas hun kinderen komen aan. Niet zij.
Naar nu
Herken jij dat?
Je zit drie weken op een nieuwe school. Alles is anders, je weet nog niet waar je moet zitten in de pauze, en je mist je oude klas ineens vreselijk.
Terwijl je daar vaak baalde. Dat weet je best. Je voelt het alleen niet.
Dit is het lastigste stuk. Niet het begin en niet het eind, maar het midden. Het oude is weg en het nieuwe is er nog niet.
Dat duurt bij iedereen even. En bij niemand precies even lang.
Volhouden? Zoek het maar uit. Ik laat hem gewoon achter met al zijn gezeur over vroeger!
Kijk eens in de spiegel:
- Waar wilde jij mee stoppen omdat het te lang duurde?
- Welk vroeger maak jij weleens mooier dan het was?
- Wat helpt jou als je middenin iets zit dat nog niet af is?
Spiegelzin
Het liefst zou ik zeggen dat ik nooit meer ga, maar ik heb geleerd dat het lastigste stuk altijd het midden is — niet het begin en niet het eind.

Van 17
De herdersjongen en de reus
Twee legers staan tegenover elkaar en er gebeurt niets. Elke dag komt naar voren en roept: stuur er maar één, dan vechten we het samen uit. Hij is enorm en niemand durft.
Veertig dagen lang.
Dan komt eten brengen voor zijn broers. Hij hoort het en zegt: ik doe het wel.
Koning Saul hangt hem een om. Een helm, een zwaard, het hele pak. David loopt drie stappen en zegt: hier kan ik niet in lopen, ik heb dit nog nooit gedragen.
Hij doet het uit. Hij pakt zijn stok en zoekt vijf gladde stenen uit de beek.
Goliat ziet hem aankomen en begint te lachen.
En dan gaat het heel snel.
Naar nu
Herken jij dat?
Je doet mee met de grote kinderen. Zij duwen en trekken en zijn twee koppen groter. Als jij dat ook probeert, lig je binnen een minuut op de grond.
Maar jij bent sneller. En kleiner. En jij ziet gaten die zij niet zien.
Dat geldt niet alleen bij sport. Iemand in je klas kan heel goed praten en jij niet. Ga je hem nadoen, dan hoor je zelf dat het nep klinkt. Zeg je gewoon wat je zelf zou zeggen, dan hoor je dat het klopt.
Bang zijn? Nooit van gehoord. Ik maak die irritante bullebak gewoon een kopje kleiner!
Kijk eens in de spiegel:
- Wiens heb jij weleens aangetrokken?
- Wat kun jij, dat niet lijkt op wat de rest kan?
- Wanneer voelde jij je klein tegenover iets groots? Wat deed je toen?
Spiegelzin
Het liefst zou ik net zo hard doen als hij, maar ik heb geleerd dat je iemand niet verslaat door zijn harnas aan te trekken — alleen door jezelf te blijven.