Van 2

Een wonderlijke taalles

De vrienden zitten met z'n allen in één huis. Opeens klinkt er een geluid als van harde wind, en het is alsof er kleine vlammen boven hun hoofden staan.

Ze gaan naar buiten, de straat op. Het is druk in de stad. Er zijn mensen uit alle windstreken.

En dan komt het wonderlijke deel. De vrienden praten, en iedereen die het hoort, hoort het in zijn eigen taal. Niet: iedereen gaat opeens dezelfde taal spreken. Iedereen hoort het in de taal van thuis.

De mensen snappen er niets van. Sommigen zeggen: die hebben te veel gedronken. Later vertellen de vrienden dat het de was die over hen kwam.

Weet je die toren nog, van eerder in dit boek? Daar liep het mis toen iedereen hetzelfde was en toch niet meer luisterde. Hier gebeurt precies het omgekeerde.

Iedereen blijft precies wie hij is, met zijn eigen taal. En juist daardoor verstaan ze elkaar.

Naar nu

Herken jij dat?

Er komt een nieuw kind in de klas dat nog bijna geen Nederlands spreekt. En de hele klas gaat langzaam en hard praten, alsof hij een beetje doof is.

Dan is er één iemand die iets anders doet. Die gaat naast hem zitten en wijst dingen aan. Of tekent het even. Of leert drie woorden in zijn taal en zegt ze helemaal verkeerd, waar iedereen om moet lachen — hij ook.

Dat werkt. Niet omdat het handiger is, maar omdat die ene niet zat te wachten tot de ander werd zoals hij.

Rustig aanpassen? Zoveel moeite. Ik stamp het gewoon in zijn oor als het nodig is!

Kijk eens in de spiegel:

  • Tegen wie praat jij weleens harder of langzamer dan nodig is?
  • Wat kun jij wat niemand anders in je klas kan? Wie weet dat eigenlijk?
  • Welke drie woorden zou jij willen leren in de taal van iemand anders?

Spiegelzin

Het liefst zou ik gewoon harder praten, maar ik heb geleerd dat je elkaar niet beter verstaat door je stem te verheffen — alleen door net iets anders te doen dan de rest.

Van 9

De vijand in het donker

is een gevaarlijke man. Hij jaagt op de vrienden van en zorgt dat ze opgepakt worden. Iedereen kent zijn naam en iedereen is bang voor hem.

Op de weg naar de stad gebeurt er iets. Er is een fel licht en hij valt op de grond. Hij hoort een stem die zijn naam zegt en vraagt: waarom doe je mij dit aan? Als hij overeind komt, kan hij niets meer zien. Drie dagen zit hij in het donker. Hij eet niet en hij drinkt niet.

In diezelfde stad woont . zegt tegen hem: ga naar Saulus toe.

Ananias schrikt zich rot en zegt het gewoon hardop. Weet u wel wie dat is? Ik heb gehoord wat die man doet. Hij is hiernaartoe gekomen om ons op te halen.

Maar hij gaat. Hij loopt dat huis binnen, legt zijn handen op de schouders van de gevaarlijkste man die hij kent, en zegt: Saul, mijn broeder.

Saulus verandert in het donker, maar niet in zijn eentje. Er moest iemand naar binnen lopen die net zo bang was als jij zou zijn.

Naar nu

Herken jij dat?

Het kind dat je het hele jaar heeft gepest, komt naar je toe en zegt sorry.

Je gelooft er niets van. Dat is ook niet gek — je hebt honderd keer meegemaakt dat hij aardig deed en daarna weer niet. Je gezicht staat al op nee voordat je iets hebt gezegd.

En hier zit iets moeilijks. Iemand die wil veranderen, kan dat bijna nooit alleen. Hij heeft iemand nodig die hem alvast een keer gelooft, terwijl het nog helemaal niet zeker is.

Dat hoef jij niet te zijn. Als hij jou al die tijd heeft gepest, is dat echt niet jouw taak. Maar iemand moet het doen, anders blijft hij precies wie hij was.

Hem nog een kans geven? Eens een leugenaar, altijd een leugenaar. Dat weet ik als geen ander!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wie geloofde jou een keer terwijl je het zelf nog niet zeker wist?
  • Wie wacht er misschien nog op een tweede kans van jou? Wil je die geven?
  • Als jij morgen iets heel anders zou doen dan anders, wie zou dat als eerste geloven?

Spiegelzin

Het liefst zou ik hem nooit meer vertrouwen, maar ik heb geleerd dat wie echt wil veranderen bijna nooit alleen verandert — hij heeft iemand nodig die hem alvast één keer gelooft.

De vijand in het donker — De Spiegelbijbel