Van 7

Het zaagsel in je oog

vertelt een grapje. Echt, het is bedoeld als grap.

Stel je iemand voor die tegen zijn buurman zegt: wacht even, er zit een splintertje in je oog, laat mij het er even uithalen.

Alleen heeft die man zelf een balk in zijn eigen oog. Een hele balk. Een plank van een dak.

De mensen die het horen moeten lachen, want het beeld is belachelijk. Zo iemand ziet helemaal niets. Hij komt met die balk niet eens in de buurt van dat andere oog.

En dan komt de zin die het grapje omdraait: haal eerst die balk bij jezelf weg. Dan zie je pas scherp genoeg om je buurman echt te helpen.

Andermans fouten zien is makkelijk en het voelt lekker. Zolang je naar de splinter van een ander wijst, hoeft niemand naar jouw balk te kijken. Jij ook niet.

Naar nu

Herken jij dat?

Je roept keihard door het huis dat je zusje haar schoenen wéér midden in de gang heeft gesmeten. Terwijl je eigen kamer eruitziet alsof er iets ontploft is.

Of op school. Je vindt het echt asociaal dat iemand steeds door de juf heen praat, en je zegt het tegen twee anderen. Wat je even niet meerekent, is dat jij gisteren precies hetzelfde deed.

Het gekke is dat je het bij jezelf niet ziet. Niet omdat je liegt. Maar omdat je bij jezelf van binnenuit kijkt en bij een ander van buitenaf. Bij jezelf weet je waaróm je het deed. Bij een ander zie je alleen wát hij deed.

Naar mezelf kijken? Ik dacht het niet. Ik wijs liever naar haar rotzooi en laat mijn eigen balk lekker staan!

Kijk eens in de spiegel:

  • Waar ben jij bij een ander streng op, terwijl je het zelf ook doet?
  • Wat zou je zusje of broertje zeggen als iemand vroeg: wat doet hij eigenlijk vervelend?
  • Aan wie zou jij dat durven vragen?

Spiegelzin

Het liefst zou ik alleen naar haar rotzooi wijzen, maar ik heb geleerd dat ik zelf ook een balk heb — ik zie hem alleen nooit.

Van 19

De volle rugzak

Er komt een jongeman naar toe. Hij is rijk, hij is aardig, en hij doet echt zijn best. Hij vraagt: wat moet ik nog meer doen om goed te leven?

Waarschijnlijk verwacht hij te horen dat hij het prima doet.

Maar het antwoord is: verkoop alles wat je hebt, geef het weg, en ga mee.

De jongeman staat daar. Hij zegt niets terug. Hij draait zich om en loopt weg. En er staat één klein zinnetje bij dat het hele verhaal draagt: hij ging verdrietig weg, want hij bezat heel veel.

Hij is niet boos. Hij is verdrietig. Hij wíl wel. Maar zijn spullen hebben hem steviger vast dan hij ze heeft.

We denken dat spullen je vrijer maken. Maar alles wat je hebt, moet je ook bewaken en schoonhouden en niet kwijtraken.

Thema's

Naar nu

Herken jij dat?

Je krijgt iets nieuws waar je hartstikke blij mee bent. En de rest van de dag ben je er vooral bang voor. Je neemt het niet mee naar buiten, want straks valt het. Je laat niemand het vasthouden.

Buiten roepen ze of je komt helpen met de hut. En jij zit binnen op je nieuwe ding te passen.

Of je koffer voor op kamp. Je propt hem vol met alles wat je misschien nodig hebt, en op de heenweg sjouw je je rot. De helft komt er nooit uit.

Delen? Echt niet. Ik dump al mijn rotzooi bij een ander, dan reis ik zelf lekker licht!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wat heb jij dat je vooral bewaakt in plaats van gebruikt?
  • Wanneer bleef jij binnen omdat je iets niet mee durfde te nemen?
  • Als je nu precies één ding zou moeten weggeven, wat zou dat dan zijn? Niet het makkelijkste antwoord — het eerlijke.

Spiegelzin

Het liefst zou ik gewoon alles houden, maar ik heb geleerd dat spullen je niet vrijer maken — je moet ze ook bewaken, schoonhouden en niet kwijtraken.

Van 10

De held uit het verkeerde kamp

Iemand vraagt aan : wie moet ik eigenlijk helpen? Wie hoort er bij mij?

Jezus antwoordt met een verhaal. Een man loopt over een eenzame weg en wordt overvallen. Ze slaan hem neer en laten hem halfdood in de berm liggen.

Er komt iemand belangrijks aan. Hij ziet de man liggen, steekt over, en loopt aan de andere kant van de weg verder. Even later komt er nog zo iemand. Ook die steekt over.

Dan komt er een langs. En dat is nou precies iemand uit het verkeerde kamp: de mensen die naar dit verhaal luisteren, moeten niets van Samaritanen hebben.

Hij stopt. Hij verzorgt de wonden, zet de man op zijn eigen ezel, brengt hem naar een en betaalt voor hem.

Aan het eind draait Jezus de vraag om. Niet: wie hoort er bij jou? Maar: wie werd er hier een ?

De vraag was: wie verdient mijn hulp? Daar komt geen antwoord op. De vraag wordt vervangen door een andere: wie word jij, als er iemand ligt?

Naar nu

Herken jij dat?

Op het plein gaat iemand hard onderuit. Niet zomaar iemand: dat is dat stoere kind dat vorige week nog rot tegen je deed. Je eerste gedachte is: eigen schuld.

Je blijft staan. En in die paar seconden bedenk je drie redenen om door te lopen. Je komt te laat. Er staan al anderen bij. En hij wil vast helemaal niet dat jíj hem helpt.

Die redenen zijn niet gelogen. Ze kloppen alle drie een beetje.

Dat is precies wat ze zo handig maakt.

Stoppen om te helpen? Waarom zou ik. Hij zou mij toch zeker ook niet helpen!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wie zou jij nooit helpen? Denk even echt na. Je hoeft het tegen niemand te zeggen.
  • Welke reden gebruik jij het vaakst om door te lopen?
  • Wie hielp jou een keer terwijl je dat helemaal niet had verwacht?

Spiegelzin

Het liefst zou ik gewoon doorlopen, maar ik heb geleerd dat de vraag niet is wie mijn hulp verdient, maar wie ik word als er iemand ligt.