
Van 20
Durf te vragen
Na alles wat er gebeurd is, zitten de vrienden bij elkaar achter een dichte deur. Ze zijn bang.
is er die keer niet bij. Als hij terugkomt, praat iedereen door elkaar heen: we hebben hem gezien.
Thomas gelooft het niet. Hij zegt: ik wil het zelf zien. Ik wil het met mijn eigen handen voelen. Anders niet.
Dat is een moedige zin, want hij staat er helemaal alleen mee. Al zijn vrienden zeggen iets anders dan hij.
Een week later is hij er wél bij. En dan hoort hij: kom maar. Kijk maar. Voel maar.
Er staat niet bij of Thomas dat toen ook echt gedaan heeft. Alleen dat hij niet meer twijfelde.
Hij heeft er een bijnaam aan overgehouden die nergens op slaat: ongelovige Thomas. Terwijl hij de enige was die hardop zei wat hij dacht.
Naar nu
Herken jij dat?
Op school gaat een verhaal rond. Iemand heeft iets gedaan, of er gaat iets gebeuren, en iedereen weet het zeker. Vraag je waar ze het vandaan hebben, dan zegt iemand: van Sem gehoord. En Sem heeft het van iemand anders.
Als jij dan vraagt "weet je dat zeker?", kijken ze je aan alsof je vervelend doet. Meeknikken is makkelijker.
En dan die andere kant. Je zit in de klas en je snapt de som niet. Je kijkt om je heen en niemand steekt zijn vinger op. Dus jij ook niet. Achteraf blijkt dat de halve klas het niet snapte.
Wie iets vraagt, vraagt het meestal voor meer mensen dan alleen zichzelf.
Vragen stellen? Zonde van de tijd. Ik knik lekker overal in mee en noem hém de rare van het stel!
Kijk eens in de spiegel:
- Wanneer knikte jij mee terwijl je het eigenlijk niet geloofde?
- Wat durf jij niet te vragen in de klas? Wat zou er echt gebeuren als je het wel deed?
- Wie stelt bij jou in de buurt de vragen die jij niet durft te stellen?
Spiegelzin
Het liefst zou ik meeknikken zonder iets te snappen, maar ik heb geleerd dat wie een vraag durft te stellen, dat meestal voor meer mensen doet dan alleen zichzelf.

Van 2
Een wonderlijke taalles
De vrienden zitten met z'n allen in één huis. Opeens klinkt er een geluid als van harde wind, en het is alsof er kleine vlammen boven hun hoofden staan.
Ze gaan naar buiten, de straat op. Het is druk in de stad. Er zijn mensen uit alle windstreken.
En dan komt het wonderlijke deel. De vrienden praten, en iedereen die het hoort, hoort het in zijn eigen taal. Niet: iedereen gaat opeens dezelfde taal spreken. Iedereen hoort het in de taal van thuis.
De mensen snappen er niets van. Sommigen zeggen: die hebben te veel gedronken. Later vertellen de vrienden dat het de was die over hen kwam.
Weet je die toren nog, van eerder in dit boek? Daar liep het mis toen iedereen hetzelfde was en toch niet meer luisterde. Hier gebeurt precies het omgekeerde.
Naar nu
Herken jij dat?
Er komt een nieuw kind in de klas dat nog bijna geen Nederlands spreekt. En de hele klas gaat langzaam en hard praten, alsof hij een beetje doof is.
Dan is er één iemand die iets anders doet. Die gaat naast hem zitten en wijst dingen aan. Of tekent het even. Of leert drie woorden in zijn taal en zegt ze helemaal verkeerd, waar iedereen om moet lachen — hij ook.
Dat werkt. Niet omdat het handiger is, maar omdat die ene niet zat te wachten tot de ander werd zoals hij.
Rustig aanpassen? Zoveel moeite. Ik stamp het gewoon in zijn oor als het nodig is!
Kijk eens in de spiegel:
- Tegen wie praat jij weleens harder of langzamer dan nodig is?
- Wat kun jij wat niemand anders in je klas kan? Wie weet dat eigenlijk?
- Welke drie woorden zou jij willen leren in de taal van iemand anders?
Spiegelzin
Het liefst zou ik gewoon harder praten, maar ik heb geleerd dat je elkaar niet beter verstaat door je stem te verheffen — alleen door net iets anders te doen dan de rest.

Van 9
De vijand in het donker
is een gevaarlijke man. Hij jaagt op de vrienden van en zorgt dat ze opgepakt worden. Iedereen kent zijn naam en iedereen is bang voor hem.
Op de weg naar de stad gebeurt er iets. Er is een fel licht en hij valt op de grond. Hij hoort een stem die zijn naam zegt en vraagt: waarom doe je mij dit aan? Als hij overeind komt, kan hij niets meer zien. Drie dagen zit hij in het donker. Hij eet niet en hij drinkt niet.
In diezelfde stad woont . zegt tegen hem: ga naar Saulus toe.
Ananias schrikt zich rot en zegt het gewoon hardop. Weet u wel wie dat is? Ik heb gehoord wat die man doet. Hij is hiernaartoe gekomen om ons op te halen.
Maar hij gaat. Hij loopt dat huis binnen, legt zijn handen op de schouders van de gevaarlijkste man die hij kent, en zegt: Saul, mijn broeder.
Naar nu
Herken jij dat?
Het kind dat je het hele jaar heeft gepest, komt naar je toe en zegt sorry.
Je gelooft er niets van. Dat is ook niet gek — je hebt honderd keer meegemaakt dat hij aardig deed en daarna weer niet. Je gezicht staat al op nee voordat je iets hebt gezegd.
En hier zit iets moeilijks. Iemand die wil veranderen, kan dat bijna nooit alleen. Hij heeft iemand nodig die hem alvast een keer gelooft, terwijl het nog helemaal niet zeker is.
Dat hoef jij niet te zijn. Als hij jou al die tijd heeft gepest, is dat echt niet jouw taak. Maar iemand moet het doen, anders blijft hij precies wie hij was.
Hem nog een kans geven? Eens een leugenaar, altijd een leugenaar. Dat weet ik als geen ander!
Kijk eens in de spiegel:
- Wie geloofde jou een keer terwijl je het zelf nog niet zeker wist?
- Wie wacht er misschien nog op een tweede kans van jou? Wil je die geven?
- Als jij morgen iets heel anders zou doen dan anders, wie zou dat als eerste geloven?
Spiegelzin
Het liefst zou ik hem nooit meer vertrouwen, maar ik heb geleerd dat wie echt wil veranderen bijna nooit alleen verandert — hij heeft iemand nodig die hem alvast één keer gelooft.