
Van 10
De held uit het verkeerde kamp
Iemand vraagt aan : wie moet ik eigenlijk helpen? Wie hoort er bij mij?
Jezus antwoordt met een verhaal. Een man loopt over een eenzame weg en wordt overvallen. Ze slaan hem neer en laten hem halfdood in de berm liggen.
Er komt iemand belangrijks aan. Hij ziet de man liggen, steekt over, en loopt aan de andere kant van de weg verder. Even later komt er nog zo iemand. Ook die steekt over.
Dan komt er een langs. En dat is nou precies iemand uit het verkeerde kamp: de mensen die naar dit verhaal luisteren, moeten niets van Samaritanen hebben.
Hij stopt. Hij verzorgt de wonden, zet de man op zijn eigen ezel, brengt hem naar een en betaalt voor hem.
Aan het eind draait Jezus de vraag om. Niet: wie hoort er bij jou? Maar: wie werd er hier een ?
Naar nu
Herken jij dat?
Op het plein gaat iemand hard onderuit. Niet zomaar iemand: dat is dat stoere kind dat vorige week nog rot tegen je deed. Je eerste gedachte is: eigen schuld.
Je blijft staan. En in die paar seconden bedenk je drie redenen om door te lopen. Je komt te laat. Er staan al anderen bij. En hij wil vast helemaal niet dat jíj hem helpt.
Die redenen zijn niet gelogen. Ze kloppen alle drie een beetje.
Dat is precies wat ze zo handig maakt.
Stoppen om te helpen? Waarom zou ik. Hij zou mij toch zeker ook niet helpen!
Kijk eens in de spiegel:
- Wie zou jij nooit helpen? Denk even echt na. Je hoeft het tegen niemand te zeggen.
- Welke reden gebruik jij het vaakst om door te lopen?
- Wie hielp jou een keer terwijl je dat helemaal niet had verwacht?
Spiegelzin
Het liefst zou ik gewoon doorlopen, maar ik heb geleerd dat de vraag niet is wie mijn hulp verdient, maar wie ik word als er iemand ligt.

Van 15
Het oneerlijke feest
Een vader heeft twee zonen. De jongste wil niet wachten en vraagt zijn deel van het geld nu alvast. Hij vertrekt, geeft alles uit, en houdt niets over. Uiteindelijk werkt hij tussen de varkens en heeft hij zo'n honger dat hij het varkensvoer wil eten.
Hij besluit terug te gaan, en oefent onderweg zijn sorry.
Maar zijn vader ziet hem al van heel ver aankomen. Hij heeft dus staan kijken. Hij rent naar hem toe, en er komt een feest. Muziek, eten, alles.
De oudste zoon staat op het land. Hij hoort de muziek, hij hoort wat er aan de hand is, en hij weigert naar binnen te gaan. Al die jaren, zegt hij, heb ik hier gewerkt. En ik heb nooit een feest gehad.
Dan gaat de vader ook naar buiten. Naar hem toe.
Wat de oudste zoon daarna deed, staat er niet bij.
Naar nu
Herken jij dat?
Je broertje maakt iets stuk en krijgt een knuffel. Jij kreeg vorige week op je kop voor iets veel kleiners. Je zegt er niks van, maar er gaat wel iets in je zitten.
Of dit: iemand die het hele jaar niks deed aan de groepsopdracht krijgt bij de presentatie precies dezelfde complimenten als jij, die er drie avonden aan hebt gezeten.
Op zo'n moment ben jij de oudste broer. Je hebt niets fout gedaan — dat is juist het punt. Je hebt alles goed gedaan en het lijkt alsof niemand het gezien heeft.
Dat is een eenzaam soort boos.
Blij zijn voor hem? Nou nee. Ik geef hem een feestje dat hij nooit vergeet!
Kijk eens in de spiegel:
- Wanneer had jij het gevoel dat niemand zag dat jij het goed deed?
- Wanneer was jij degene die het feest kreeg zonder het verdiend te hebben?
- Wat zou jij willen horen als je buiten staat en binnen de muziek aangaat?
Spiegelzin
Het liefst zou ik zeggen dat ik het feest niet erg vond, maar ik heb geleerd dat je best jaloers mag zijn op een feestje — zolang je het ook een keer hardop zegt.

Van 4
De slimme vraag
Het is midden op de dag en snikheet. is moe van het lopen en gaat bij een put zitten.
Er komt een vrouw water halen. Dat is raar, want niemand haalt water op het heetst van de dag. Waarschijnlijk komt ze juist dan, omdat er dan niemand is.
En dan gebeurt er iets wat helemaal niet hoort. Hij vraagt haar iets. *Geef mij eens wat te drinken.*
Dat klinkt klein, maar dat is het niet. Zij hoort bij het verkeerde volk, ze is alleen, en eigenlijk zou hij moeten doen alsof hij haar niet ziet. In plaats daarvan vraagt hij haar om hulp — want zij heeft de emmer en hij niet.
Ze raken aan de praat. Het wordt het langste gesprek dat in het hele boek van hem beschreven staat. En daarna gaat zij het aan de hele stad vertellen.
Naar nu
Herken jij dat?
Er zit iemand bij jou in de klas met wie je nooit praat. Niet omdat je iets tegen hem hebt. Het is er gewoon nooit van gekomen, en inmiddels zou het raar zijn om te beginnen.
Als je aardig wilt doen, denk je meestal aan geven. Je vraagt of hij mee komt doen. Dat is lief bedoeld, maar het zegt ook: ik sta binnen, jij staat buiten, en ik laat je erin.
Er is iets wat beter werkt en dat nog makkelijker is ook. Vraag hem iets. Of je zijn gum mag lenen. Of hij weet hoe je dat ene level uitkomt.
Wie iets vraagt, maakt van de ander even degene die kan helpen.
Een praatje beginnen? Veel te veel moeite. Ik kijk gewoon nooit die kant op!
Kijk eens in de spiegel:
- Met wie in jouw klas heb je eigenlijk nooit gepraat? Hoe komt dat?
- Wat zou je diegene kunnen vrágen, in plaats van geven?
- Wanneer was jij het kind dat mocht meedoen? Hoe voelde dat?
Spiegelzin
Het liefst zou ik gewoon nooit kijken, maar ik heb geleerd dat je iemand niet gemeen hoeft te doen om hem toch nooit te zien.