Van 5

De rem erop

zit op een berghelling met een grote groep mensen om zich heen. Hij begint over een regel die iedereen kent: oog om oog. Doet iemand jou pijn, dan mag jij hem precies evenveel pijn doen. Netjes afgemeten.

En dan zegt hij iets vreemds. Krijg je een klap op je ene wang? Draai dan je andere wang naar hem toe.

Hij geeft nog zo'n voorbeeld. In die tijd mocht een soldaat je dwingen zijn tas een te dragen. Jezus zegt: draag hem twee mijl.

Dat is geen slap overgeven. Het is iets anders. Zolang jij automatisch terugslaat, bepaalt de ander wat jij doet. Op het moment dat je iets doet wat hij niet had zien aankomen, ben jij het weer die kiest.

Terugslaan voelt sterk, maar het is eigenlijk gehoorzamen. De ander drukt op een knopje en jij doet keurig wat hij verwacht.

Naar nu

Herken jij dat?

Je broertje port in je zij. Jij port terug. Binnen een minuut is het oorlog op de achterbank.

Doe je één keer helemaal niets — niet zuchten, niet kijken, niets — dan gebeurt er iets geks. Hij port nog een keer. En dan houdt het op. De lol was jouw reactie.

Maar dit werkt niet altijd. Bij plagen bijna wel. Bij echt pesten, dag na dag, werkt het niet, en het is ook niet jouw taak om dat in je eentje op te lossen. Dan is de sterkste zet niet je andere wang, maar iemand halen.

Dat is geen klikken en geen zwakte. Je haalt er iemand bij die groter is dan het probleem.

Rustig blijven? Mooi niet. Ik sla keihard terug — met rente!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer hielp niets-terugdoen bij jou, en wanneer werd het er juist erger van?
  • Wanneer was jij degene die bleef porren tot de ander boos werd?
  • Wie zou jij erbij halen als je het alleen niet meer redt?

Spiegelzin

Het liefst zou ik keihard terugslaan, maar ik heb geleerd dat wie automatisch terugslaat, nog steeds doet wat de ander wilde.

Van 7

Het zaagsel in je oog

vertelt een grapje. Echt, het is bedoeld als grap.

Stel je iemand voor die tegen zijn buurman zegt: wacht even, er zit een splintertje in je oog, laat mij het er even uithalen.

Alleen heeft die man zelf een balk in zijn eigen oog. Een hele balk. Een plank van een dak.

De mensen die het horen moeten lachen, want het beeld is belachelijk. Zo iemand ziet helemaal niets. Hij komt met die balk niet eens in de buurt van dat andere oog.

En dan komt de zin die het grapje omdraait: haal eerst die balk bij jezelf weg. Dan zie je pas scherp genoeg om je buurman echt te helpen.

Andermans fouten zien is makkelijk en het voelt lekker. Zolang je naar de splinter van een ander wijst, hoeft niemand naar jouw balk te kijken. Jij ook niet.

Naar nu

Herken jij dat?

Je roept keihard door het huis dat je zusje haar schoenen wéér midden in de gang heeft gesmeten. Terwijl je eigen kamer eruitziet alsof er iets ontploft is.

Of op school. Je vindt het echt asociaal dat iemand steeds door de juf heen praat, en je zegt het tegen twee anderen. Wat je even niet meerekent, is dat jij gisteren precies hetzelfde deed.

Het gekke is dat je het bij jezelf niet ziet. Niet omdat je liegt. Maar omdat je bij jezelf van binnenuit kijkt en bij een ander van buitenaf. Bij jezelf weet je waaróm je het deed. Bij een ander zie je alleen wát hij deed.

Naar mezelf kijken? Ik dacht het niet. Ik wijs liever naar haar rotzooi en laat mijn eigen balk lekker staan!

Kijk eens in de spiegel:

  • Waar ben jij bij een ander streng op, terwijl je het zelf ook doet?
  • Wat zou je zusje of broertje zeggen als iemand vroeg: wat doet hij eigenlijk vervelend?
  • Aan wie zou jij dat durven vragen?

Spiegelzin

Het liefst zou ik alleen naar haar rotzooi wijzen, maar ik heb geleerd dat ik zelf ook een balk heb — ik zie hem alleen nooit.

Van 19

De volle rugzak

Er komt een jongeman naar toe. Hij is rijk, hij is aardig, en hij doet echt zijn best. Hij vraagt: wat moet ik nog meer doen om goed te leven?

Waarschijnlijk verwacht hij te horen dat hij het prima doet.

Maar het antwoord is: verkoop alles wat je hebt, geef het weg, en ga mee.

De jongeman staat daar. Hij zegt niets terug. Hij draait zich om en loopt weg. En er staat één klein zinnetje bij dat het hele verhaal draagt: hij ging verdrietig weg, want hij bezat heel veel.

Hij is niet boos. Hij is verdrietig. Hij wíl wel. Maar zijn spullen hebben hem steviger vast dan hij ze heeft.

We denken dat spullen je vrijer maken. Maar alles wat je hebt, moet je ook bewaken en schoonhouden en niet kwijtraken.

Thema's

Naar nu

Herken jij dat?

Je krijgt iets nieuws waar je hartstikke blij mee bent. En de rest van de dag ben je er vooral bang voor. Je neemt het niet mee naar buiten, want straks valt het. Je laat niemand het vasthouden.

Buiten roepen ze of je komt helpen met de hut. En jij zit binnen op je nieuwe ding te passen.

Of je koffer voor op kamp. Je propt hem vol met alles wat je misschien nodig hebt, en op de heenweg sjouw je je rot. De helft komt er nooit uit.

Delen? Echt niet. Ik dump al mijn rotzooi bij een ander, dan reis ik zelf lekker licht!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wat heb jij dat je vooral bewaakt in plaats van gebruikt?
  • Wanneer bleef jij binnen omdat je iets niet mee durfde te nemen?
  • Als je nu precies één ding zou moeten weggeven, wat zou dat dan zijn? Niet het makkelijkste antwoord — het eerlijke.

Spiegelzin

Het liefst zou ik gewoon alles houden, maar ik heb geleerd dat spullen je niet vrijer maken — je moet ze ook bewaken, schoonhouden en niet kwijtraken.