Van 4

De slimme vraag

Het is midden op de dag en snikheet. is moe van het lopen en gaat bij een put zitten.

Er komt een vrouw water halen. Dat is raar, want niemand haalt water op het heetst van de dag. Waarschijnlijk komt ze juist dan, omdat er dan niemand is.

En dan gebeurt er iets wat helemaal niet hoort. Hij vraagt haar iets. *Geef mij eens wat te drinken.*

Dat klinkt klein, maar dat is het niet. Zij hoort bij het verkeerde volk, ze is alleen, en eigenlijk zou hij moeten doen alsof hij haar niet ziet. In plaats daarvan vraagt hij haar om hulp — want zij heeft de emmer en hij niet.

Ze raken aan de praat. Het wordt het langste gesprek dat in het hele boek van hem beschreven staat. En daarna gaat zij het aan de hele stad vertellen.

Hij begint niet met iets géven. Hij begint met iets vragen. Daardoor staat zij niet onderaan.

Naar nu

Herken jij dat?

Er zit iemand bij jou in de klas met wie je nooit praat. Niet omdat je iets tegen hem hebt. Het is er gewoon nooit van gekomen, en inmiddels zou het raar zijn om te beginnen.

Als je aardig wilt doen, denk je meestal aan geven. Je vraagt of hij mee komt doen. Dat is lief bedoeld, maar het zegt ook: ik sta binnen, jij staat buiten, en ik laat je erin.

Er is iets wat beter werkt en dat nog makkelijker is ook. Vraag hem iets. Of je zijn gum mag lenen. Of hij weet hoe je dat ene level uitkomt.

Wie iets vraagt, maakt van de ander even degene die kan helpen.

Een praatje beginnen? Veel te veel moeite. Ik kijk gewoon nooit die kant op!

Kijk eens in de spiegel:

  • Met wie in jouw klas heb je eigenlijk nooit gepraat? Hoe komt dat?
  • Wat zou je diegene kunnen vrágen, in plaats van geven?
  • Wanneer was jij het kind dat mocht meedoen? Hoe voelde dat?

Spiegelzin

Het liefst zou ik gewoon nooit kijken, maar ik heb geleerd dat je iemand niet gemeen hoeft te doen om hem toch nooit te zien.

Van 8

Wie durft te gooien?

Er komt een grote groep mensen aan en ze duwen een vrouw voor zich uit. Ze heeft iets gedaan wat niet mocht, en volgens de regels van die tijd mag ze daarvoor met stenen bekogeld worden.

Ze zetten haar midden in de kring. Iedereen kan haar zien. En dan vragen ze aan : en, wat vind jij ervan?

Hij zegt niets. Hij bukt en schrijft met zijn vinger iets in het zand. Wat hij schreef, staat er niet bij. Niemand weet het.

Ze blijven doorvragen. Dan komt hij overeind en zegt één zin: wie van jullie zelf nooit iets fout heeft gedaan, mag de eerste steen gooien.

En dan bukt hij weer, en schrijft verder.

Het wordt stil. En één voor één lopen ze weg. De oudsten het eerst.

In een groep durf je dingen die je in je eentje nooit zou doen. Zodra iemand je vraagt om even naar binnen te kijken, valt de groep uit elkaar.

Naar nu

Herken jij dat?

Op het schoolplein begint iemand over een klasgenoot. Er komt een tweede opmerking. Dan een derde, met een gemene grap erbovenop. Binnen twee minuten doet bijna iedereen mee.

Jij zegt ook iets. Niet het ergste — jij bent slimmer, jij zegt iets grappigs. Iedereen lacht. Dat voelt goed.

's Avonds in bed denk je er nog een keer aan. In je eentje, zonder dat gelach eromheen, klinkt jouw zinnetje ineens heel anders.

Het gekke aan een groep is dat niemand zich verantwoordelijk voelt. Iedereen denkt: ik deed maar een klein stukje. Bij elkaar opgeteld was het geen klein stukje.

Niet durven gooien? Zeg dat dan gewoon. Geef mij de grootste steen maar!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wat was het laatste dat je over iemand doorvertelde, terwijl je het net zo goed voor je had kunnen houden?
  • Wat weet iemand over jou dat je liever niet overal op het plein rondverteld zou willen zien?
  • Wie zou er bij jou voor kunnen zorgen dat je stopt? En jij bij wie?

Spiegelzin

Het liefst zou ik alleen dat ene grapje gezegd hebben, maar ik heb geleerd dat een groep je nooit verantwoordelijk laat vóélen — ook als je het wél was.

Van 26 en 22

De nacht dat iedereen wegliep

weet dat er iets ergs gaat gebeuren. Bij het laatste eten met zijn vrienden zegt hij het hardop: straks laten jullie me allemaal alleen.

wordt bijna boos. *Ik niet. Nooit.*

Later die avond zit Jezus in een tuin en hij is bang. Echt bang. Hij vraagt zijn drie beste vrienden om wakker bij hem te blijven. Als hij terugkomt, slapen ze. Hij maakt ze wakker. Als hij weer terugkomt, slapen ze alweer.

Dan komen de soldaten. En dan rennen ze allemaal weg.

Alleen Petrus loopt op afstand mee, tot op een binnenplaats waar een vuurtje brandt. Iemand kijkt hem aan en zegt: jij hoorde toch bij hem? *Nee.* Even later weer. *Ik ken die man niet.* En een derde keer. *Ik weet niet waar je het over hebt.*

Dan kraait er een haan. Petrus staat op, loopt naar buiten en huilt.

Wat er daarna gebeurt is het ergste. Jezus wordt gedood. Zijn vrienden zijn er niet bij; een paar vrouwen staan op afstand te kijken. Hij wordt in een graf gelegd en er gaat een steen voor.

En op de derde dag is dat graf leeg.

Petrus liegt niet omdat hij slecht is. Hij liegt omdat hij bang is, en dat is een heel gewone reden.

Naar nu

Herken jij dat?

Je hebt een vriend van vroeger. Jullie hebben duizend keer bij elkaar gespeeld. Maar op school hoort hij niet bij de groep waar jij nu bij hoort.

En dan staat hij ineens naast je op het plein, waar iedereen bij is. Iemand vraagt lachend: is dat een vriend van jou? En jij haalt je schouders op en zegt: valt wel mee.

Je hebt niet gelogen, vind je zelf. Je hebt het alleen even kleiner gemaakt. Maar hij heeft het gehoord, en jij weet dat hij het gehoord heeft, en de rest van de dag zit het in je maag.

deed het drie keer op één avond. En hij was echt de beste vriend die er was.

Eerlijk zijn dat ik met hem omga? Zal ik wel laten. Straks weten ze dat ik ook een sukkel ben!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer maakte jij een vriendschap even kleiner omdat er anderen bij stonden?
  • Wanneer had iemand jou nodig en viel jij in slaap, of keek je net even de andere kant op?
  • Wie zou er bij jou blijven staan als het echt misging? Weet diegene dat van jou?

Spiegelzin

Het liefst zou ik zeggen dat hij niet echt mijn vriend was, maar ik heb geleerd dat ik dat meestal alleen zeg als ik zelf bang ben — en dat is een heel gewone reden.

Wie durft te gooien? — De Spiegelbijbel