Van 1

Orde uit de rommel

Stel je voor dat er niets is. Geen grond, geen lucht. Alleen een donkere, kolkende soep van water en wind. Het is koud, aardedonker en één grote chaos.

Dan zegt : laat er licht zijn. En er is licht.

Maar met alleen licht ben je er nog niet. Dus begint het opruimen. God trekt grenzen. Tegen het water zegt hij: jij gaat naar beneden. Wat daarboven zit, gaan we lucht noemen.

Elke dag krijgt de wereld iets meer vorm. Planten komen omhoog, walvissen gaan zwemmen, overal kruipt van alles rond. Alles krijgt een eigen plek.

En op de zevende dag, als het grootste project ooit klaar is, gaat God zitten. Kijken naar wat er staat. En uitrusten.

Chaos ruim je niet op door alles tegelijk aan te pakken, maar door grenzen te trekken. En rusten hoort erbij. Het is niet iets voor als je tijd over hebt.

Naar nu

Herken jij dat?

Je kamer. Lego over de vloer, stiften eronder, kleren op een hoop, boeken half van je bed. En als je dan moet gaan slapen lukt dat niet, want je hoofd voelt net zo rommelig als je vloer.

Of een week. Maandag school en voetbal, dinsdag zwemles, woensdag een feestje, en donderdag ben je op. Dat is die kolkende soep.

Je kunt niet alles tegelijk opruimen. Maar je kunt één ding doen. Je stiften bij elkaar leggen. Of zeggen dat je woensdag niet komt. Eén grens is vaak genoeg om weer adem te halen.

Opruimen? Dacht het lekker niet. Ik veeg alles onder het tapijt, daar komt toch nooit iemand achter!

Kijk eens in de spiegel:

  • Hoe voelt het in je buik als het om je heen heel rommelig of heel druk is?
  • Wat doe jij het liefst als je even helemaal niets hoeft?
  • Als je één ding uit je week zou mogen schrappen, wat zou dat dan zijn?

Spiegelzin

Het liefst zou ik alles onder mijn bed proppen en het rommelig laten, maar ik heb geleerd dat je chaos niet in één keer oplost — je begint gewoon bij één grens.

Van 3

Opeens zie je alles

en wonen in een tuin waar alles goed is. heeft ze één regel gegeven: blijf van die ene boom af.

En ja. Als iets niet mag.

Er is een slang die fluistert: neem er nou een hap van. Dan weet je pas echt hoe het zit.

Ze nemen een hap. En meteen is alles anders.

Hun ogen gaan open. Ze zien de wereld niet meer als een plek waar alles vanzelf goed komt. Ze snappen wat gevaar is. Ze kijken naar zichzelf en denken: wij hebben helemaal niets aan.

Voor het eerst schamen ze zich. Ze kruipen weg in de bosjes en hopen dat niemand ze ziet.

De tijd waarin ze nergens over nadachten, is voorbij. En die komt niet meer terug.

Groter worden betekent dat je dingen gaat zien die je niet meer kunt afzien. Dat is winst en verlies tegelijk.

Naar nu

Herken jij dat?

Je hoort per ongeluk iets dat niet voor jou bedoeld was. Grote mensen die ruzie maken in de keuken terwijl ze denken dat je slaapt. Of iets op het Jeugdjournaal waar je 's avonds nog aan moet denken.

Vroeger dacht je daar niet over na. Nu wel. En je kunt niet meer terug naar hoe het was.

Of dit. Je zegt iets gemeens en je ziet het gezicht van de ander veranderen. Op dat moment weet je precies wat je hebt gedaan. Je wordt er warm van en je wilt onzichtbaar zijn.

Sorry zeggen? Zal ik wel laten. Ik wijs gewoon naar de eerste de beste die in de buurt staat!

Kijk eens in de spiegel:

  • Wanneer wilde jij je het liefst heel klein maken?
  • Wat weet je nu, wat je liever niet had geweten?
  • Zou je terug willen naar hoe klein je vroeger was? Denk even echt na.

Spiegelzin

Het liefst zou ik doen alsof ik het niet had gehoord, maar ik heb geleerd dat je niet meer terug kunt naar niet-weten, hoe graag je dat soms ook zou willen.